Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2014-08-01
ECLI:NL:CRVB:2014:2651
Bestuursrecht
12/6625 AOW Datum uitspraak: 1 augustus 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2012, 12/2603 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant) [Betrokkene] te [woonplaats] (Frankrijk) (betrokkene) Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. S.S.G. Lie, advocaat, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.S. van Zanten. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Lie. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak; veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 974,-; bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2014. (getekend) T.L. de Vries (getekend) D.E.P.M. Bary IvZ 1.1. Betrokkene, geboren [in]1940, is bij onherroepelijk geworden vonnis van 17 november 1999 door de politierechter te Amsterdam veroordeeld tot het verrichten van 150 uur onbetaalde arbeid ten algemene nutte (taakstraf). Kort daarop is betrokkene met zijn echtgenote naar Frankrijk verhuisd. Per 1 december 2000 is hij uitgeschreven uit de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) te Amsterdam onder de vermelding: vertrokken naar Frankrijk. Bij verstekvonnis van 23 april 2004 van de politierechter te Amsterdam is de taakstraf omgezet in 13 weken gevangenisstraf. Op 16 september 2004 is betrokkene opgenomen in het opsporingsregister, waarbij als reden voor de opname in het opsporingsregister is vermeld emigratie. Hij heeft zich op 25 april 2012 bij de politie gemeld en is aansluitend gedetineerd geweest tot 25 juli 2012. 1.2. Aan betrokkene is een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Bij besluit van 10 november 2011 heeft appellant, onder toepassing van het op 1 januari 2011 in werking getreden artikel 8c van de AOW, het ouderdomspensioen van betrokkene beëindigd met ingang van 1 juli 2011. Hieraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende maatregel of vrijheidsstraf. De betaling van het pensioen is beëindigd met ingang van oktober 2011. Hetgeen van juli tot en met september 2011 te veel aan ouderdomspensioen is betaald, wordt niet teruggevorderd. Met ingang van 25 juli 2012 is het ouderdomspensioen hervat. 1.3. In bezwaar is namens betrokkene aangevoerd dat hij zich niet heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, omdat hij geen kennis had van de opgelegde vrijheidsstraf, terwijl zijn adresgegevens in Frankrijk bekend waren bij Justitie. 2. Bij beslissing op bezwaar van 13 april 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. 3.1. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het besluit van 10 november 2011 herroepen en appellant veroordeeld in de proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant nagelaten te beoordelen of betrokkene zich daadwerkelijk heeft onttrokken aan een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Ten onrechte is niet in het concrete geval nagegaan of zich bijzondere omstandigheden voordoen die - in aanvulling op de door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) aangereikte informatie - maken dat geen sprake is van een zich onttrekken. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant betrokkene met behulp van een vooraankondiging in de gelegenheid had moeten stellen te reageren op de gegevens van het CJIB alvorens vast te stellen of sprake is van een zich onttrekken. 3.2. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat betrokkene zich op de datum in geding heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van zijn vrijheidsstraf. Betrokkene heeft toegegeven dat hij bekend was met het vonnis uit 1999. Hij wist derhalve ook dat, indien hij de taakstraf niet zou uitvoeren, hij de vervangende hechtenis zou moeten ondergaan. Betrokkene wist dat hij de taakstraf niet had uitgevoerd en dat er dus vervangende hechtenis aan de orde was. In de situatie van betrokkene was sprake van een onherroepelijk vonnis dat nog niet ten uitvoer was gelegd. In verband hiermee is betrokkene in het opsporingsregister opgenomen, omdat er geen vaste woon- of verblijfsplaats in Nederland van hem bekend was. Door het CJIB is op 17 juni 2004 aan betrokkene een vooraankondiging verstuurd met een verklaring. De verklaring is niet retour ontvangen. Gelet hierop is over de periode hier in geding sprake geweest van onttrekken als bedoeld in artikel 8c, lid 2, van de AOW. Onder andere in zijn uitspraak van 9 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3507, heeft de Raad overwogen dat appellant niet is gehouden een betrokkene voorafgaande aan de beëindiging van het pensioen met toepassing van artikel 8c, tweede lid, van de AOW, in de gelegenheid te stellen te reageren op de voorgenomen intrekking en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen. Appellant concludeert dat terecht en op juiste gronden is overgegaan tot beëindiging van het aan betrokkene toekomende ouderdomspensioen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Met ingang van 1 januari 2011 is artikel 8c van de AOW in werking getreden. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het recht op ouderdomspensioen eindigt, indien de pensioengerechtigde zich, nadat het recht op ouderdomspensioen is ingegaan, onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Het derde lid bepaalt dat de persoon die op grond van het eerste of tweede lid geen recht op ouderdomspensioen heeft, met ingang van de dag dat hij zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op ouderdomspensioen heeft. 4.2. In de onder 3.2 genoemde uitspraak is - anders dan de rechtbank - geoordeeld dat appellant niet is gehouden een betrokkene voorafgaande aan de beëindiging van het pensioen met toepassing van artikel 8c, tweede lid, van de AOW, met behulp van een vooraankondiging in de gelegenheid te stellen te reageren op de voorgenomen intrekking en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen. In zoverre is de desbetreffende grond terecht voorgesteld. Dit kan echter niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak nu het dictum waartoe de rechtbank is gekomen juist is. Daartoe wordt als volgt overwogen. 4.3. Met betrekking tot de grond dat betrokkene zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, wordt als volgt overwogen. In de uitspraak van de Raad van 9 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY3507) is geoordeeld dat onder ‘zich onttrekken’, is te verstaan de situatie waarin een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel nog niet ten uitvoer is gelegd, de veroordeelde in verband daarmee in het opsporingsregister is opgenomen en door Justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel. Appellant dient aannemelijk te maken dat sprake is van een zodanige situatie en mag daarbij in beginsel afgaan op informatie van het CJIB. 4.4. Betrokkene heeft onder meer gesteld dat hij niet op de hoogte was van de vrijheidsstraf en dat de Nederlandse overheid geen poging heeft gedaan om de opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen. Hij heeft bij zijn vertrek naar Frankrijk zijn adresgegevens bekend gemaakt aan Justitie doch is nooit opgeroepen om zijn vrijheidsstraf te komen uitzitten in Nederland. Hij heeft erop gewezen dat uit de gedingstukken, te weten een stuk van het parket Amsterdam, blijkt dat zijn adres in Frankrijk bekend was. Daarop staat immers zijn adres in Frankrijk. 4.5. Wat er ook zij van de vraag of het vonnis van 23 april 2004 op de juiste wijze bekend is gemaakt en of betrokkene feitelijk ermee bekend was, niet in geschil is dat betrokkene het besluit van 10 november 2011, tot beëindiging van het ouderdomspensioen, heeft ontvangen en daardoor bekend is geraakt met de veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel. Bij de beoordeling of betrokkene zich daaraan heeft onttrokken, is appellant uitgegaan van door het CJIB verstrekte informatie waarin dit wordt gesteld. Het CJIB hanteert de volgende werkwijze. De veroordeelde op wie de zelfmeldprocedure van toepassing is, wordt niet in het opsporingsregister opgenomen.