Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2013-05-02
ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8769
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,356 tokens
Inleiding
11/5724 WUV-T
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Tussenuitspraak in het geding tussen:
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Datum uitspraak 2 mei 2013.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 augustus 2011, kenmerk BZ01292655 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. de Bie, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel. Op verzoek van appellant is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [naam getuige].
Overwegingen
1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.
1.1. Bij besluit van 28 februari 2008 is appellant, geboren in 1940, met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv gelijkgesteld met een vervolgde. Aanvaard is dat de psychische klachten van appellant redelijkerwijs kunnen worden gerelateerd aan het omkomen van zijn vader tengevolge van vervolging in de zin van de Wuv. Aan appellant zijn enkele voorzieningen toegekend. De door appellant ook gevraagde periodieke uitkering is echter geweigerd, primair op de grond dat de psychische klachten van appellant niet hebben geleid tot een verminderd verdienvermogen en appellant niet werkt tot schade van zijn gezondheid.
1.2. Het besluit van 28 februari 2008 is na bewaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2008. Bij uitspraak van 31 december 2009, 08/5916 WUV, LJN BL0186, heeft de Raad het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. De Raad onderschreef de hierboven weergegeven primaire afwijzingsgrond, dit omdat appellant ten tijde van belang nog steeds 50% ontving van de winst van de vennootschap onder firma waarin hij voor de helft deelgenoot was. Dat appellant niet de daarbij behorende helft van de werkzaamheden heeft verricht, was volgens de Raad niet van belang, nu de zakenpartner van appellant dit had geaccepteerd. Dat de zakenpartner inmiddels had laten weten met de ontstane situatie geen genoegen meer te nemen, kon volgens de Raad geen rol spelen, nu die wijziging dateert van na het bestreden besluit van 4 september 2008.
1.3. Op 26 februari 2010 heeft appellant opnieuw verzocht om een periodieke uitkering. Bij besluit van 29 december 2010 is een periodieke uitkering toegekend met ingang van 1 februari 2010. De grondslag is vastgesteld op het minimum, omdat appellant op dat moment niet meer werkte. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Appellant heeft aangevoerd dat de vennootschap onder firma in 2009 is beëindigd als gevolg van zijn causale psychische klachten, die hem beletten werkzaamheden te verrichten. Hij kan zich daarom noch op het punt van de ingangsdatum, noch op het punt van de gehanteerde grondslag met het bestreden besluit verenigen.
3. De Raad overweegt het volgende.
Ingangsdatum
3.1. De oorspronkelijke Wuv-aanvraag van appellant is afgehandeld met het op 4 september 2008 gehandhaafde besluit van 28 februari 2008, waarbij een periodieke uitkering is geweigerd. Hangende de beroepsprocedure ter zake, op 2 februari 2009, heeft de Stichting 1940-1945 verweerder meegedeeld dat de zakenpartner van appellant zich inmiddels had laten uitschrijven bij de Kamer van Koophandel en dat appellant als gevolg daarvan geen inkomsten meer uit de vennootschap genoot. Juist omdat de toenmalige aanvraag van appellant al was afgehandeld, kon de uit genoemde brief naar voren komende, hangende de beroepsprocedure ingetreden verandering van omstandigheden in die procedure geen rol spelen. De weigering uit 2008 heeft in rechte stand gehouden.
3.1.1. Het voert te ver om te oordelen dat de genoemde brief uit 2009 door verweerder had moeten worden opgevat als een nieuwe op de toekomst gerichte aanvraag. De brief geeft immers weinig achtergrondinformatie en is nadrukkelijk geformuleerd als een nadere onderbouwing voor de in de beroepsprocedure betrokken stellingen. Van belang in verband met dat laatste is dat de Stichting 1940-1945 bekend mag worden verondersteld met de aanvraagprocedure in het kader van de Wuv.
3.1.2. Er is dus niet eerder dan op 26 februari 2010 sprake geweest van een nieuwe aanvraag, op grond waarvan de eventuele aanspraken van appellant op een periodieke uitkering met medeneming van de gebeurtenissen na 4 september 2008 moesten worden bezien. Op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wuv gaat de periodieke uitkering in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag om die uitkering is ingediend. De bepaling is dwingend geformuleerd. Verweerder had dus geen andere keuze dan de ingangsdatum te bepalen op 1 februari 2010, hoe voorstelbaar het op zichzelf beschouwd ook is dat appellant met het indienen van de genoemde aanvraag heeft gewacht tot na het einde van de beroepsprocedure die, afhankelijk van de uitkomst, een hernieuwde aanvraag overbodig had kunnen maken. Op dit punt slaagt het beroep dus niet.
Grondslag
3.2. Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wuv bepaalt dat recht heeft op een uitkering de vervolgde, die wegens ziekten of gebreken, welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd, buiten staat is door arbeid een inkomen te verwerven dat gelijk is aan de ingevolge artikel 8 vastgestelde grondslag.
3.2.1. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Wuv, voor zover hier van belang, wordt de grondslag voor de periodieke uitkering vastgesteld naar het inkomen uit arbeid in beroep of bedrijf dat de vervolgde ten tijde van zijn aanvraag zou hebben genoten uit het laatstelijk door hem uitgeoefende beroep of bedrijf. Op grond van artikel 8, vijfde lid, van de Wuv wordt de grondslag vastgesteld op het wettelijk minimum indien de vervolgde ten tijde van het tot uiting komen van de ziekten of gebreken of de verergering daarvan, niet aangewezen was op inkomsten uit arbeid in beroep of bedrijf. Bepalend voor de vraag of de hoofdregel van artikel 8, tweede lid, dan wel de uitzondering daarop van artikel 8, vijfde lid, aan de orde is, is dus het al dan niet aangewezen zijn op arbeid in beroep of bedrijf. Peilmoment daarvoor is niet het tijdstip van de aanvraag, maar het moment van het tot uiting komen van de ziekten of gebreken dan wel de verergering daarvan.
3.2.2. Uit het medisch onderzoek dat verweerder naar aanleiding van de aanvraag van appellant van 26 februari 2010 heeft doen verrichten door de arts H.I. Loor komt een verergering van de eerder al vastgestelde causale psychische klachten naar voren. Daar waar in 2007, naar aanleiding van de eerste aanvraag, door de arts G. Kho nog gering-matige beperkingen werden vastgesteld in twee van de vier aan de American Medical Association (AMA) ontleende rubrieken, was in oktober 2010 sprake van beperkingen in drie van die rubrieken. De beperkingen in één van die drie rubrieken zijn daarbij als aanzienlijk aangemerkt. Op de vraag wanneer de vastgestelde verergering is ontstaan, geeft het verslag van Loor niet met zo veel woorden een antwoord. Wel is vermeld dat bepaalde klachten in het laatste jaar zijn toegenomen. Niettegenstaande dit laatste valt uit dat verslag, in combinatie met de medische gegevens die van de zijde van appellant zijn verstrekt, bestaande uit diverse brieven van dr. W. op den Velde, arts, en een schrijven van H. Nabuurs, huisarts, niet anders op te maken dan dat er geen sprake van is dat de verergering in 2010 als het ware uit de lucht is komen vallen, maar dat deze, als onderdeel van een langjarig proces met een progressief verloop, in elk geval voor een aanzienlijk deel al eerder aan de orde moet zijn geweest. Dat verweerder betwijfelt of de arts Op den Velde, zoals door deze herhaaldelijk is verklaard, appellant na zijn onderzoek in 2008, in 2009 ten tweeden male heeft gezien, kan aan dit beeld onvoldoende afdoen, wat er van die twijfel op zichzelf beschouwd ook zij.
3.2.3. Van belang in verband met het voorgaande is dat met de verergering die in 2010 is geconstateerd, in meer dan de door verweerder als minimale maatstaf gehanteerde mate is voldaan aan het, in geval geen aangewezenheid op arbeid meer bestaat, door verweerder gehanteerde criterium van een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep draagt verweerder op om, binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak, het onder 3.2.5 omschreven gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2013.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) J.T.P. Pot
HD