Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2013-12-18
ECLI:NL:CRVB:2013:2912
Bestuursrecht
12/3767 WW Datum uitspraak: 18 december 2013 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2012, 11/5603 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats](appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Namens appellante heeft mr. L.M. Seriese hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingezonden. Bij brief van 30 september 2013 heeft mr. Seriese zich als gemachtigde teruggetrokken. De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2013. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013. (getekend) G.A.J. van den Hurk (getekend) J.C. Hoogendoorn sg 1.1. Appellante is met ingang van 1 oktober 2008 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Zij is door een werkcoach van UWV WERKbedrijf uitgenodigd voor het bijwonen van een zogenoemde Leer Werk Markt op 18 februari 2010, waar zij haar interesse heeft getoond voor een zogenoemd Leer Werk Traject voor het verkrijgen van een baan als rijinstructeur. Appellante is aangemeld bij Alexander Calder Arbeidsintegratie bv (Alexander Calder) voor het volgen van een opleidingstraject met baangarantie. 1.2. Op 1 maart 2010 heeft appellante een intakegesprek gevoerd met een medewerker van Alexander Calder. Daarna is zij in contact gebracht met Compact Opleidingen (Compact). Op 8 maart 2010 heeft appellante een inschrijfformulier ondertekend voor deelname aan de door Compact te verzorgen opleiding voor rijinstructeur B. Met het formulier is onder andere vastgelegd dat appellante voorafgaand aan de opleiding een geschiktheidstest - ook wel toelatingstoets genoemd - moet doen en dat de opleiding zal starten op 7 mei 2010 als appellante voor die toets zal zijn geslaagd. Op het inschrijfformulier staan de kosten van de opleiding vermeld: een bedrag van € 6.999,- voor de opleiding en een bedrag van € 137,- voor de geschiktheidstest. Appellante heeft op 28 mei 2010 de toelatingstoets gedaan en is niet geslaagd. 1.3. Op 10 juni 2010 heeft Alexander Calder aan het Uwv laten weten dat het niet mogelijk is gebleken om appellante te re-integreren, omdat zij voor de toelatingstoets niet is geslaagd. Op 13 juli 2010 heeft werkcoach P. [naam C.] akkoord gegeven voor het volgen door appellante van de opleiding bij Compact voor rekening van het Uwv en - naar moet worden aangenomen eveneens op 13 juli 2010, maar met een niet gedateerd en van een besluit voorzien formulier “Aanvraag externe inkoop re-integratiedienstverlening” - eveneens met betaling van de kosten van de geschiktheidstest. Voor de noodzaak van externe inkoop heeft de werkcoach als motivering gegeven: “Betreft nagekomen ‘vensterbankgevallen’ zoals op 04-06-2010 besproken tussen [naam A.] en [naam B.]. 1.4. Nadat aan Compact bekend was geworden dat het Uwv de kosten van de opleiding van appellante en van de toelatingstoets zal vergoeden, is voor appellante een nieuwe toetsdatum gevraagd. Appellante is op 23 september 2010 voor de toelatingstoets geslaagd. Zij heeft op 18 oktober 2010 een leerwerkovereenkomst met baangarantie getekend, waarbij ook Alexander Calder en Compact partij zijn. De leerwerkovereenkomst is aangegaan voor de periode van 28 oktober 2010 tot en met 28 juni 2011 en voor 24 uur verspreid over vier dagen per week. 1.5. De WW-uitkering van appellante is op 31 januari 2011 geëindigd wegens het bereikt zijn van de maximale uitkeringsduur. Appellante heeft nadien geen uitkering ontvangen ter aanvulling van het loon uit de leerwerkovereenkomst. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan traag handelen van het Uwv is te wijten dat zij de opleiding tot rijinstructeur niet zal kunnen voltooien in de periode waarin zij recht had op een WW-uitkering. Bij brief van 8 november 2010 heeft zij het Uwv aansprakelijk gesteld voor de schade die daarvan het gevolg zal zijn. 1.6. Bij besluit van 4 januari 2011 heeft het Uwv, voor zover in hoger beroep nog van belang, het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Volgens het Uwv is voor vergoeding van (toekomstige) schade geen grond omdat van onrechtmatig handelen van het Uwv geen sprake is geweest. Het Uwv heeft daarbij erop gewezen dat niet is nagelaten te beslissen en dat geen tegenstrijdige beslissingen over de opleiding van appellante zijn genomen, maar dat in juni 2010 is besloten dat - uit coulanceoverwegingen - toestemming zal worden gegeven aan appellante om de door haar gewenste opleiding te volgen en de daaraan verbonden kosten te vergoeden. 1.7. Appellante heeft tegen het besluit van 4 januari 2011 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit gehandhaafd dat er geen grond is voor vergoeding van inkomensschade die appellante stelt te hebben geleden met ingang van 1 februari 2011. 2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft daarbij onder meer het standpunt betrokken dat uit een interesseformulier en uit e-mailverkeer tussen het Uwv, Alexander Calder en Compact blijkt dat aan haar eerder dan in juni 2010 toestemming werd verleend voor het volgen van de opleiding en dat deze toestemming niet kon worden ingetrokken nadat zij voor de eerste toelatingstoets was gezakt. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het Uwv niet onrechtmatig heeft gehandeld door niet tijdig een besluit te nemen en dat evenmin sprake is van een schadeveroorzakend besluit. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar stelling herhaald dat zij de opleiding tot rijinstructeur met een vertraging van vijf maanden is gestart omdat het Uwv de aanvankelijk verleende toestemming had ingetrokken en op nieuwe toestemming moest worden gewacht. Zij heeft schade geleden omdat zij niet - zoals wel aanvankelijk de bedoeling was - aansluitend aan de WW-uitkering inkomsten is gaan genieten als volledig opgeleid rijinstructeur. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv blijkt uit de voorhanden stukken, waaronder het e-mailverkeer tussen het Uwv, Alexander Calder en Compact, dat werkcoach [naam C.] in juni 2010 heeft geconstateerd dat appellante in de veronderstelling verkeerde dat zij met financiering van het Uwv een toelatingstoets kon doen en een opleiding kon volgen, terwijl haar was gezegd dat daarvoor geen akkoord was gegeven. Het zijn coulanceoverwegingen die het Uwv vervolgens ertoe hebben gebracht om alsnog met de gevraagde financiering akkoord te gaan. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. In artikel 76, eerste lid, van de WW is bepaald dat het recht op WW-uitkering blijft bestaan indien de werknemer deelneemt of gaat deelnemen aan een voor hem, naar het oordeel van het Uwv, noodzakelijke opleiding of scholing. Uit dit artikel, dat nader is uitgewerkt in de Scholingsregeling WW, volgt dat voor het volgen van een opleiding met behoud van WW-uitkering het verkrijgen van toestemming van het Uwv een vereiste is. Evident is dat niet zonder instemming van het Uwv een opleiding of scholing kan worden begonnen waarvan de kosten voor rekening van het Uwv komen. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat aan appellante geen besluit is afgegeven waarbij aan haar toestemming is verleend om met behoud van WW-uitkering de opleiding tot rijinstructeur te volgen voor rekening van het Uwv. De stelling van appellante in hoger beroep komt erop neer dat het Uwv de schijn zou hebben gewekt dat aan haar de door haar gevraagde toestemming voor het volgen van de opleiding bij Compact al was verleend voordat zij op 28 mei 2010 de eerste toelatingstoets deed. 4.3. Uit de e-mailberichten die in de periode van 8 maart 2010 tot aan de datum van de eerste toelatingstoets zijn gewisseld tussen het Uwv, Alexander Calder en Compact is het volgende af te leiden. Compact heeft op 8 maart 2010 aan Alexander Calder gevraagd om een akkoord voor het afleggen door appellante van de geschiktheidstest. Alexander Calder heeft deze vraag doorgeleid naar het Uwv. Op 9 maart 2010 heeft werkcoach L. Nuijen aan Alexander Calder bericht dat voor het geven van een akkoord onder andere een offerte nodig is. Op diezelfde datum heeft werkcoach Nuijen ook een vraag gesteld aan Alexander Calder over de duur van de opleiding.