Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2013-12-03
ECLI:NL:CRVB:2013:2644
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,355 tokens
Inleiding
12/3505 WWB, 12/3506 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 mei 2012, 11/6347 en 11/6349 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats](appellant)
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. drs. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013. Appellant en zijn gemachtigde zijn, hoewel ambtshalve in persoon of bij gemachtigde opgeroepen, met bericht, niet verschenen. Het college, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Vukovic.
Overwegingen
1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft in de periode van 9 november 2009 tot en met 11 november 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ontvangen.
1.2.
Bij de aanvraag van de bijstand heeft appellant opgegeven dat hij eigenaar is van een appartement in [plaatsnaam]in Turkije. Volgens opgave van appellant was het aankoopbedrag van dit appartement op 13 november 2003 (omgerekend) € 5.250,- en is de actuele taxatiewaarde ervan € 6.950,-. Ter ondersteuning van laatstgenoemde waarde heeft appellant een daartoe strekkende verklaring van een makelaarskantoor in Turkije van
15 februari 2010 overgelegd.
1.3.
Om de actuele waarde van het appartement in Turkije te bepalen heeft het college het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) verzocht een vermogensonderzoek te laten uitvoeren. Dit onderzoek in Turkije heeft geresulteerd in een rapport van 18 januari 2011 met bijlagen, waaronder een taxatierapport van 18 januari 2011 en de vertaling daarvan. De waarde van het appartement van appellant is getaxeerd op € 35.000,-.
1.4.
Deze onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
8 april 2011 (besluit 1) de algemene bijstand van appellant met ingang van 9 november 2009 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 9 november 2009 tot en met 11 november 2010 tot een bedrag van € 11.014,36 van appellant terug te vorderen. Voorts heeft het college bij een besluit van eveneens 8 april 2011 (besluit 2) de aan appellant vanaf
8 januari 2010 verstrekte bijzondere bijstand ingetrokken en de kosten daarvan tot een bedrag van € 775,10 van appellant teruggevorderd. Aan de besluiten 1 en 2 ligt ten grondslag dat het vermogen van appellant sinds 9 november 2009 de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt. Bij besluit van 27 april 2011 (besluit 3) heeft het college het bedrag van de terugvordering van € 11.014,36 verhoogd met de afgedragen bedragen aan belastingen en premies van in totaal € 3.469,83, waardoor deze terugvordering € 14.484,19 bedraagt. Bij besluit van 1 augustus 2011 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 3 ongegrond verklaard. Bij bestreden besluit 1 heeft het college het bezwaar tegen het besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bedrag van € 775,10 al eerder was teruggevorderd, zodat met de correctiebeschikking van 11 juli 2011 volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen.
1.5.
Na de beëindiging van zijn werkzaamheden als taxichauffeur heeft appellant op 1 maart 2011 opnieuw bijstand aangevraagd. Het college heeft bij besluit van 19 april 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 juli 2011 (bestreden besluit 2), op deze aanvraag afwijzend beslist. Aan bestreden besluit 2 ligt ten grondslag dat appellant beschikt over in te teren vermogen, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en omdat hij de bereidverklaring voor verkoop van het appartement niet heeft ondertekend, bijstandsverlening in de vorm van een geldlening ook niet mogelijk is.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
3.
Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft zonder opgave van reden niet voldaan aan de verplichting om in persoon of bij gemachtigde ter zitting te verschijnen. Daaraan wordt ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de gevolgtrekking verbonden dat het hoger beroep, gelet op de in het beroepschrift opgenomen beroepsgronden die daarna niet meer zijn aangevuld, zich uitsluitend richt tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard. Aangezien het beroep zich richtte tegen bestreden besluit 1 voor zover daarbij de bezwaren ongegrond zijn verklaard, was de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen besluit 2 reeds in beroep niet in geding.
4.2.
Uit de bewoordingen van besluit 1 en bestreden besluit 1 en de toelichting die de gemachtigde van het college ter zitting heeft gegeven, heeft het college met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB de algemene bijstand van appellant met ingang van 9 november 2009 ingetrokken op de grond dat na het onderzoek in Turkije is komen vast te staan dat het vermogen van appellant vanaf die datum de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschreed, zodat hij om die reden geen recht had op bijstand.
4.3.
In het verlengde wat in 4.2 is overwogen moet - ambtshalve oordelend - worden vastgesteld dat de rechtbank haar oordeel over de intrekking van de algemene bijstand van appellant met ingang van 9 november 2009 niet heeft gebaseerd op de door het college aan het bestreden besluit 1 ten grondslag gelegde grond. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant ten aanzien van de waarde van het appartement de op hem rustende inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17 van de WWB heeft geschonden en dat het college met toepassing van artikel 54, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand in te trekken. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 6 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7336) verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat geding uitbreidt. Mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste lid, van de Awb van openbare orde is, bestaat reeds in het voorafgaande aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden
besluit 1 beoordelen voor zover daarbij de besluiten 1 en 3 zijn gehandhaafd.
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat de kern van het geschil is of de onderzoeksbevindingen van het IBF hem mogen worden tegengeworpen. Aangezien appellant niet beschikt, noch beschikte over de financiële middelen om een uitgebreide taxatie te laten uitvoeren zoals het IBF heeft gedaan, mocht hij vertrouwen op de taxatie waarvoor hij de middelen wel had en die tot een aanzienlijk lagere waardering van het appartement heeft geleid.
4.5.
Aan het niet verschijnen ter zitting van appellant wordt tevens de gevolgtrekking verbonden dat het standpunt van appellant, weergegeven in 4.4, zo wordt begrepen dat appellant niet betwist dat als gevolg van de vastgestelde waarde van het appartement de toepasselijke vermogensgrens van de WWB werd overschreden en dat hij om die reden vanaf 9 november 2009 geen recht had op bijstand. Evenmin bestrijdt appellant dat het college bevoegd was om de bijstand met ingang van 9 november 2009 in te trekken. Appellant bestrijdt, zo begrijpt de Raad, dat het college in redelijkheid van de bevoegdheid ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB tot intrekking van de bijstand gebruik heeft kunnen maken, omdat hij niet in staat was om een uitvoerige taxatie te laten uitvoeren, zoals die in opdracht van het IBF is uitgevoerd. Deze grond slaagt niet.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2011 ongegrond;
- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 115,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en
C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) P.J.M. Crombach
HD