Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2013-08-21
ECLI:NL:CRVB:2013:1488
Bestuursrecht
Centrale Raad van Beroep 12/3281 AWBZ Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2012, 12/667 (aangevallen uitspraak) Partijen: Zorgkantoor Delfland Westland Oostland Nieuwe Waterweg Noord (appellant) [Naam betrokkene] (betrokkene) Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Bij brief van 2 juli 2012 heeft mr. M.F. van der Mersch, advocaat, zich gesteld als gemachtigde van appellant. Namens betrokkene heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2013. Deze zaak is gevoegd behandeld met het onderzoek in de zaken 12/3280 AWBZ en 13/678 AWBZ. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Leeuwen. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Mersch en [N.]. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan. De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 944,-; - bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 454,- wordt geheven Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en W.H. Bel en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2013. (getekend) R.M. van Male (getekend) M.R. Schuurman HD 1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. De Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aan betrokkene voor de periode van 28 juni 2011 tot en met 27 juni 2012 een indicatie verleend voor de functie begeleiding groep klasse 4. Bij besluit van 22 juni 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 februari 2012 (bestreden besluit), heeft appellant de aanvraag van betrokkene voor een persoonsgebonden budget (pgb) afgewezen. 1.2. Hieraan heeft appellant, onder verwijzing naar artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ten grondslag gelegd dat betrokkene door zijn psychische problemen niet in staat is de regie over zijn zorg te voeren, zodat een gegronde reden bestaat om het aangevraagde pgb te weigeren. De omstandigheid dat betrokkene van derden ondersteuning krijgt betekent niet dat hij zelf in staat is tot het voeren van de regie over zijn zorg. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak en voorts beslist dat betrokkene bij wijze van voorlopige voorziening een voor zijn gebruikelijk pgb krijgt toegekend tot zes weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Voldoende aannemelijk is dat betrokkene, zonder hulp van derden, niet in staat is om de regie over zijn zorg te voeren. Indien de aanvrager van een pgb capaciteiten en/of bekwaamheden mist die op grond van de aan de subsidie verbonden verplichtingen worden verondersteld aanwezig te zijn, betekent dat niet dat de aanvrager dit niet kan compenseren door gewaarborgde hulp van derden. Nu betrokkene gemotiveerd heeft betoogd dat hij met hulp van derden in staat is om de regie over zijn zorg te voeren, kon appellant zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat er een gegronde reden is om aan te nemen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder b en/of c, van de Awb. Appellant had in elk geval moeten bezien of de hulp die betrokkene wenst in te roepen bij het omgaan met de pgb-gelden gewaarborgd is. 3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. In de eerste plaats vereisen aard en doel van het pgb dat de verzekerde zelf in staat is de regie over zijn zorg te voeren en te voldoen aan de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden. Voor wie de capaciteiten en bekwaamheden mist om die verantwoordelijkheid te dragen mist het pgb doel en kan zorg in natura worden ontvangen. Voor een onderzoeksverplichting naar de hulp door derden ziet appellant dan ook geen grond. In de tweede plaats moet van een verzekerde die hulp van derden inschakelt in ieder geval worden verlangd dat deze in staat is adequaat toezicht te houden op de besteding van het pgb en de daarover af te leggen verantwoording door die derden. Betrokkene is niet in staat tot het voeren van regie en het uitoefenen van adequaat toezicht, zodat appellant gebruik kon maken van de in artikel 4:35, eerste lid, van de Awb opgenomen bevoegdheid om de aanvraag van betrokkene voor het pgb af te wijzen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Artikel 4:35, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, luidt: “De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: a. (…); b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.” 4.1.1. Aan de memorie van toelichting op artikel 4:35 van de Awb kan het volgende worden ontleend. In het algemeen bepaalt de concrete subsidieregeling in welke gevallen een subsidie kan worden geweigerd, omdat de weigeringsgronden nauw samenhangen met aard en doel van de desbetreffende subsidie. Aan een beperkt aantal weigeringsgronden bestaat echter bij vrijwel iedere subsidie behoefte. Uit oogpunt van harmonisatie van wetgeving is het gewenst deze gronden in de Awb neer te leggen. Artikel 4:35 voorziet daarin. De in deze bepaling neergelegde weigeringsgronden zijn aanvullend: zij gelden naast de eventueel in de concrete subsidieregeling neergelegde weigeringsgronden. Dit is in de aanhef van zowel het eerste als het tweede lid tot uitdrukking gebracht door de woorden "in ieder geval" (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, blz. 58). 4.1.2. De concrete subsidieregeling die betrekking heeft op het pgb is de Regeling subsidies AWBZ (Regeling). De weigeringsgronden zijn opgenomen in artikel 2.6.4 van de Regeling. Gelet op de in 4.1.1 weergegeven toelichting zijn de in artikel 4:35 van de Awb neergelegde weigeringsgronden aanvullend op de weigeringsgronden van artikel 2.6.4 van de Regeling. Tussen partijen is niet in geschil dat geen van de in dat artikel van de Regeling genoemde weigeringsgronden voor subsidie zich voordoet. Appellant heeft dan ook terecht in zijn beoordeling betrokken of artikel 4:35 van de Awb kan worden toegepast. 4.2. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat betrokkene zelf niet in staat is tot het voeren van de regie over zijn zorg. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of betrokkene ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren de gewaarborgde hulp van derden kan inroepen. Om de verzekerde te beschermen tegen malafide zorg- en/of bemiddelingsbureaus, is appellant van oordeel dat een verzekerde niet de hulp van andere derden dan zijn wettelijk vertegenwoordiger, partner of inwonend kind kan inroepen. 4.3. De Raad stelt allereerst vast dat de regie over de zorg mede inhoudt het nakomen van de aan het pgb verbonden verplichtingen die zijn neergelegd in artikel 2.6.9 van de Regeling. Dit betreft zowel de organisatie en het beheer van de zorg, waaronder het kiezen van de zorgverlener en het besteden van het pgb aan zorg die kwalitatief verantwoord is, als het afleggen van rekening en verantwoording over de verleende zorg bij het desbetreffende Zorgkantoor. 4.4. Appellant hanteert een beslissingsmodel voor de beoordeling of de verzekerde in staat zal zijn om aan de aan het pgb verbonden verplichtingen te voldoen. In dit beslissingsmodel zijn risicofactoren opgenomen zoals de niet-zelfredzaamheid van de aanvrager van het pgb, zijn onvermogen om overzicht te houden, het niet beheersen van de Nederlandse taal, de toepassing van door derden veroorzaakte schuldsanering en verslavingsproblematiek. Appellant stelt de feiten en omstandigheden van het individuele geval vast aan de hand van de door CIZ verleende indicatie en een screeninggesprek met de aanvrager van het pgb. Indien de aanvrager wordt ondersteund door een wettelijk vertegenwoordiger, een partner of een inwonend kind, dan wordt dit in de beoordeling betrokken. Dit geldt niet voor de ondersteuning door andere derden, omdat daarbij volgens appellant geen sprake is van gedeelde verantwoordelijkheid. 4.5. De memorie van toelichting op artikel 4:35 van de Awb vermeldt dat de aan de subsidie verbonden verplichtingen zekere capaciteiten of bekwaamheden van of voorzieningen bij de subsidieontvanger kunnen veronderstellen.