Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2012-06-07
ECLI:NL:CRVB:2012:BW7759
11/5269 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 juli 2011, 10/679 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rhenen (college) Datum uitspraak 7 juni 2012. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. Koolhoven hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2012. Voor appellante zijn verschenen haar echtgenoot [naam echtgenoot] en mr. M. Degelink. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.T.J.H. Berns, advocaat, en door J.A. Roks en J.K. Altena. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en naar zijn uitspraak van 6 augustus 2009, LJN BJ5661. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Appellante was in dienst van de gemeente Rhenen als [naam functie] bij sportcomplex ’t Gastland. De activiteiten van het sportcomplex zijn per 4 juli 2000 overgedragen aan Sports and Leisure Holding BV (S&L). Ten behoeve van het personeel van het sportcomplex dat naar S&L zou overgaan, heeft de gemeenteraad van Rhenen het Sociaal Statuut zwembadpersoneel (sociaal statuut) vastgesteld dat per 5 juli 2000 in werking is getreden. Omdat appellante bezwaar had gemaakt tegen haar ontslag per 1 september 2000, heeft zij sindsdien haar werkzaamheden op basis van detachering bij S&L voortgezet. Na onderhandelingen over de financiële gevolgen van de overgang van appellante naar S&L is zij met ingang van 1 maart 2006 in dienst getreden van S&L. 1.2. Bij besluit van 21 maart 2006 heeft het college appellante eervol ontslag verleend wegens overgang naar S&L. Het college heeft het bezwaar tegen dat besluit bij besluit van 9 januari 2007 in zoverre gegrond verklaard dat appellante over de periode van 1 maart 2006 tot 9 januari 2007 een suppletie als bedoeld in artikel 4, onder a, van het sociaal statuut is toegekend. De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit bij uitspraak van 19 december 2007 ongegrond verklaard. Hangende het hoger beroep tegen deze uitspraak zijn partijen het eens geworden over de hoogte van deze suppletie. Bij zijn uitspraak van 6 augustus 2009, voor zover van belang, heeft de Raad het besluit van 9 januari 2007 vernietigd voor zover het betreft de einddatum van de suppletie en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De Raad overwoog onder meer: “3.3. Het sociaal statuut biedt dus geen steun aan het standpunt van het college dat de duur van de aan appellante op grond van artikel 4 onder a, van het sociaal statuut toegekend suppletie op 9 januari 2007 moet eindigen. De stelling van het college in dit verband, dat het hem niet bekend is hoe het salaris van appellante zich bij de BV ontwikkelt, snijdt naar het oordeel van de Raad geen hout, nu deze stelling samenhangt met de - niet betwiste - (deels) onjuiste toepassing die het college aan artikel 4 onder a, van het sociaal statuut geeft. Anders dan daarin is geregeld heeft het college namelijk op zich genomen de suppletie uit te keren. De Raad kan zich indenken dat dit een juiste uitvoering van artikel 4 onder d (lees: a) van het sociaal statuut bemoeilijkt, maar is van oordeel dat daarvan in de gegeven omstandigheden appellante niet de dupe mag worden.” 1.3. Bij besluit van 15 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het college - ter uitvoering van de uitspraak van 6 augustus 2009 en onder handhaving van de verdere inhoud van het vernietigde besluit van 9 januari 2007 - het bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2006 gegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op aanspraak op een salarissuppletie als bedoeld in artikel 4 onder a van het sociaal statuut. Het college heeft bepaald dat die aanspraak niet beperkt is tot de periode van 1 maart 2006 tot en met 9 januari 2007, maar zich ook nadien nog (kan) blijven uitstrekken. De brief waarbij het bestreden besluit bekend is gemaakt bevat tevens de volgende passage: “Uitsluitend als overweging ten overvloede wijzen wij u nog op het volgende. In artikel 4 onder a. van het Sociaal Statuut zwembadpersoneel 2000 staat bepaald dat die salarissuppletie door Sports and Leisure Holding B.V. wordt uitgekeerd. Anders dan in het Sociaal Statuut zelf is geregeld hebben wij het op ons genomen de suppletie uit te keren, echter niet langer dan 9 januari 2007, de door uw cliënte bestreden termijn. De aanspraak na 9 januari 2007 geldt jegens Sport and Leisure Holding B.V. voor zolang uw cliënte aldaar in dienst is en werkzaam is. Wij delen u hierbij dan ook mede dat de uitvoering van het Sociaal Statuut zwembadpersoneel 2000 en dus artikel 4 onder a. van genoemd Sociaal Statuut, de verantwoordelijkheid is van Sports and Leisure Holding B.V. Sinds 1 maart 2006 bestaat immers ook geen enkele formele relatie meer tussen uw cliënte en de gemeente Rhenen.” 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante, dat uitsluitend was gericht tegen de onder 1.3 vermelde overweging in het bestreden besluit, niet-ontvankelijk verklaard. Zij overwoog daartoe dat het beroep is gericht tegen een door het college gegeven overweging ten overvloede en dat het beroep dan slechts ontvankelijk is indien van die overweging kan worden gezegd dat zij een zodanige strekking heeft dat partijen zich daaraan gebonden zouden kunnen achten. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. De mededeling van het college dat appellante zich vanaf 9 januari 2007 voor de uitbetaling van de suppletie tot S&L dient te wenden, is niets anders dan een weergave van het bepaalde in artikel 4, onder a, van het sociaal statuut. 3.1. In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een overweging ten overvloede bestreden. Volgens appellante heeft het college in deze overweging te kennen gegeven dat zij jegens het college geen aanspraak meer kan maken op suppletie. Het college heeft zich nimmer eerder op dit standpunt gesteld. Door vervolgens te besluiten dat het niet gehouden is tot betaling van suppletie heeft het college een besluit genomen dat is gericht op rechtsgevolg. Inhoudelijk houdt appellante staande dat het college gehouden is de suppletie te blijven voldoen na 9 januari 2007, omdat het al eerder op zich had genomen die suppletie voor zijn rekening te nemen. Nu de einddatum in rechte niet houdbaar is gebleken is het college niet bevoegd de suppletie niet langer voor zijn rekening te nemen. 3.2. Het college heeft vooropgesteld dat het betwijfelt of appellante wel procesbelang heeft bij het hoger beroep, omdat zij van haar huidige werkgever suppletie krijgt. Dit is door deze werkgever tijdens het getuigenverhoor van 2 mei 2011 verklaard en is conform het sociaal statuut. Voor het overige heeft het college zich achter de aangevallen uitspraak geschaard. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. De ontvankelijkheid van het hoger beroep. 4.1. Gelet op de beroepsgronden van appellante volgt de Raad het college niet in zijn betoog over het ontbreken van procesbelang. Nog afgezien van het feit dat appellante ter zitting heeft betwist dat de suppletie die zij nu van S&L ontvangt even hoog is als de suppletie die zij in 2009 met het college is overeengekomen, heeft zij belang bij een rechterlijk oordeel in hoger beroep over de vraag of zij in rechte kan opkomen tegen de door haar gewraakte mededeling van het college dat zij na januari 2007 geen aanspraak meer heeft op suppletie jegens het college, maar jegens de S&L. Er is dus geen reden om het hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk te verklaren. De ontvankelijkheid van het beroep 4.2. De onder 1.3 weergegeven overweging van het bestreden besluit houdt in dat het college zich na 9 januari 2007 niet langer gehouden acht de suppletie aan appellante uit te keren en dat haar aanspraak op suppletie na die datum geldt jegens S&L voor zolang appellante aldaar in dienst is en werkzaam is.