Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2011-10-13
ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812
Bestuursrecht
07/2780 AW 08/292 AW 10/6667 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 28 maart 2007, 06/386 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 18 november 2010, 09/1825 (hierna: aangevallen uitspraak 2), in de gedingen tussen: appellant en de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (hierna: minister) Datum uitspraak: 13 oktober 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroepen ingesteld. De minister heeft verweerschriften ingediend. Op 27 september 2007 heeft de minister ter uitvoering van aangevallen uitspraak 1 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarop door betrokkene inhoudelijk is gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2011 waar de zaken gevoegd zijn behandeld. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Groenewoud-Kralt, werkzaam bij het ministerie van Defensie. II. OVERWEGINGEN 1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie. 2. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met vermelding van het volgende. 2.1. Appellant was werkzaam bij de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (DGW&T) als [naam functie] (salarisschaal 10). Bij brief van 10 februari 2005 heeft appellant gesolliciteerd naar de functie van Hoofd Verwerving bij DGW&T (salarisschaal 11). De minister heeft deze sollicitatie bij besluit van 9 maart 2005 afgewezen. Hierbij is vermeld dat appellant niet over de voor de functie benodigde leidinggevende capaciteiten beschikt. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de minister bij besluit van 23 maart 2006 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat voor het vervullen van de functie van Hoofd Verwerving DGW&T een afgeronde WO-opleiding rechten is vereist en dat appellant niet aan deze eis voldoet. 2.2. Na gevoerde onderhandelingen is van de zijde van de minister bij brief van 19 december 2007 een voorstel gedaan voor een ontslagregeling. Deze regeling hield onder meer in dat appellant per 1 september 2008 zou worden aangewezen als herplaatsingskandidaat en dat hij per dezelfde datum gebruik zou maken van de mogelijkheid op grond van het Sociaal beleidskader Defensie om zelf ontslag te nemen met daarbij een aanspraak op wachtgeld. Verder is voorgesteld dat door de minister een koopsom van € 32.249,- ter beschikking wordt gesteld ter aanvulling van het pensioen van appellant. Daarnaast is een voorstel gedaan met betrekking tot de vergoeding van onder meer studiekosten en kosten van rechtsbijstand. Aan het slot van de brief is opgenomen dat met acceptatie en ondertekenen van de overeenkomst sprake is van finale kwijting. De toenmalige advocaat van appellant heeft de minister bij brief van 21 december 2007 meegedeeld dat appellant akkoord gaat met het gedane voorstel en heeft daarbij een door appellant ondertekend exemplaar van de overeenkomst meegezonden. 2.3. Hierna hebben partijen gecorrespondeerd over de uitvoering van de overeenkomst. Bij brief van 18 december 2008 heeft de opvolgend advocaat van appellant de minister verzocht om uitvoering te geven aan de overeenkomst en om over te gaan tot overmaking van de overeengekomen vergoedingen. Bij besluit van 2 februari 2009 heeft de minister appellant ontslag verleend met ingang van 5 februari 2009 op grond van artikel 116, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard). Bij besluit van 5 februari 2009 zijn aan appellant diverse vergoedingen toegekend, waaronder een bedrag van € 32.249,- dat als koopsom zal worden gestort ter aanvulling van het pensioen van appellant. De bezwaren van appellant tegen de besluiten van 2 februari 2009 en 5 februari 2009 heeft de minister bij besluit van 26 mei 2009 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. 3.1. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en bepaald dat de minister een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank overwogen, kort samengevat, dat geen sprake is geweest van een consistente besluitvorming en dat door de minister de reden van de afwijzing onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. 3.2. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat moet worden vastgesteld dat partijen hebben beoogd om met de vaststellingsovereenkomst een finale regeling te treffen en dat niet is gebleken dat appellant niet vrijwillig of onder dwaling met de regeling heeft ingestemd. 4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in de hoger beroepen hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 4.1. De sollicitatie 4.1.1. De Raad deelt niet het door de minister ingenomen standpunt dat appellant pas belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep over dit punt als onherroepelijk komt vast te staan dat het ontslagbesluit in rechte geen stand kan houden. In dit verband overweegt de Raad dat het afwijzende besluit naar aanleiding van de sollicitatie appellant in zijn rechtspositie als ambtenaar raakt en dat op voorhand niet volstrekt onaannemelijk is dat hij als gevolg van deze afwijzing schade heeft geleden. 4.1.2. Appellant heeft tegen aangevallen uitspraak 1 ingebracht dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat het primaire besluit van 9 maart 2005 onrechtmatig is en ten onrechte de minister de gelegenheid heeft gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De Raad volgt appellant hierin niet. Op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan de rechtbank indien zij het beroep gegrond verklaart het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of zelf in de zaak voorzien. Uit de wetgeschiedenis volgt dat de rechter van deze laatste bevoegdheid in beginsel alleen gebruik mag maken als na de vernietiging rechtens nog maar één beslissing mogelijk is. Daarvan is in de onderhavige situatie geen sprake, omdat op voorhand niet valt uit te sluiten dat de minister na heroverweging van het primaire besluit opnieuw afwijzend beslist op basis van een deugdelijke motivering. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt daarom niet. 4.1.3. Het in rubriek I vermelde besluit van 27 september 2007 komt niet volledig aan het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van de sollicitatie tegemoet. Dit besluit zal daarom met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb bij de beoordeling in hoger beroep worden betrokken. Naar aanleiding van hetgeen appellant tegen dit besluit heeft ingebracht, overweegt de Raad het volgende. 4.1.4. De Raad stelt voorop dat de beslissing van het bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure het resultaat is van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen. Daarbij heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend. Deze toetsing is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. 4.1.5. Aan het besluit van 27 september 2007 ligt onder meer ten grondslag dat appellant niet voldeed aan het vereiste van een afgeronde WO-opleiding in de rechtsgeleerdheid.