Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2011-08-04
ECLI:NL:CRVB:2011:BR5381
Bestuursrecht
10/5236 AWBZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [naam moeder], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant) tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2010, 09/207 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en Agis Zorgverzekeringen, te Amersfoort (hierna: Agis) Datum uitspraak: 4 augustus 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Agis heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Namens appellant is verschenen mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, kantoorgenoot van mr. Fischer. Agis heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. Wood. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant, geboren [in] 2002, heeft de Ghanese nationaliteit. Op 19 augustus 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie (verder: de staatsecretaris) de aanvragen van appellant en zijn moeder tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) afgewezen. De tegen de afwijzing gemaakte bezwaren zijn bij besluiten van 8 februari 2010 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 december 2010, voor zover van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage de beroepen tegen de besluiten van 8 februari 2010 gegrond verklaard, de besluiten van 8 februari 2010 vernietigd, de staatssecretaris verboden om appellant en zijn moeder uit te zetten tot vier weken nadat op de bezwaarschriften is beslist en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken na verzending van de uitspraak nieuwe besluiten dient te nemen. 1.2. Appellant heeft een autistische stoornis en een verstandelijke handicap. De Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) heeft bij besluit van 25 juni 2008 appellant geïndiceerd voor ondersteunende begeleiding gedurende twee dagdelen per week voor de periode van 25 juni 2008 tot en met 24 juni 2009 in de vorm van zorg in natura. Namens appellant is bij aanvraag van 26 juni 2008 Agis op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) gevraagd de voor hem vastgestelde zorg tot gelding te brengen. 1.3. Bij besluit van 27 oktober 2008 heeft Agis de aanvraag van appellant van 26 juni 2008 afgewezen. 1.4. Bij besluit van 12 december 2008 heeft Agis het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 oktober 2008 ongegrond verklaard op de grond dat appellant niet behoort tot de kring der verzekerden van de AWBZ. De uitkering van appellant van het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) heeft daarin geen verandering gebracht. Agis heeft in dit verband verwezen naar het bepaalde in de artikelen 5 en 5b van de AWBZ. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 12 december 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - samengevat weergegeven - overwogen dat niet in geschil is dat appellant op grond van artikel 5 van de AWBZ en de daarop berustende bepalingen niet tot de kring van verzekerden van de AWBZ behoort. Het beroep op de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de rechtbank onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) verworpen. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft tevens verzocht Agis te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant, gelet op het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de AWBZ, niet verzekerd is ingevolge de AWBZ, omdat hij ten tijde van belang in de periode van 25 juni 2008 tot en met 24 juni 2009 geen rechtmatig verblijf had op de voet van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Een beroep op artikel 5b van de AWBZ kan evenmin leiden tot verzekering ingevolge de AWBZ, omdat geen sprake is van het voortvloeien van verzekering uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. 4.2. Ten aanzien van het beroep van appellant op artikel 8 van het EVRM overweegt de Raad als volgt. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 22 december 2008, LJN BG8776, heeft overwogen, merkt het EHRM respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als "the very essence" van het EVRM aan. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meermalen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime "margin of appreciation" toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. De Raad wijst in dit verband onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. vs het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRC 2008, 91). 4.3. Uit de beschikbare gegevens komt naar voren dat voor appellant bij besluit van CIZ van 25 juni 2008 de noodzaak van het ontvangen van zorg is vastgesteld. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant in verband met de bij hem vastgestelde beperkingen is aangewezen op twee dagdelen ondersteunende begeleiding per week. 4.4. De Raad stelt vervolgens vast dat appellant gedurende de periode in geding rechtmatig in Nederland verbleef op grond van een van de in artikel 8, aanhef en onder f, g, of h, van de Vw 2000 genoemde gronden. Gelet op zijn leeftijd behoort appellant tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privéleven. De Raad komt tot de conclusie dat het onthouden van de geïndiceerde ondersteunende begeleiding aan appellant tot effect zal hebben dat zijn persoonlijke ontwikkeling wordt bedreigd. Mede bezien in het licht van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind kan niet in redelijkheid wordt volgehouden dat de weigering van de geïndiceerde zorg blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die zorg en de particuliere belangen van appellant om die zorg te ontvangen, hetgeen in het onderhavige geval meebrengt dat op Agis een positieve verplichting rust om te voorzien in de voor appellant noodzakelijk geachte zorg. De Raad kan Agis niet volgen in het standpunt dat artikel 122a van de Zorgverzekeringswet van gewicht is bij voornoemde toets.