Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2011-07-21
ECLI:NL:CRVB:2011:BR5257
Bestuursrecht
11/2150 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen (hierna: college) Datum uitspraak: 21 juli 2011 I. PROCESVERLOOP Bij besluit van 22 juli 2009 heeft het college appellants tijdelijk dienstverband bij wijze van proef voortijdig beëindigd op grond van artikel 8:12:1 in verbinding met artikel 8:6 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst. Na gemaakt bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij het besluit van 23 december 2009 (hierna: bestreden besluit). Bij uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 juli 2010, 10/443, is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van die uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt. Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak. Bij schrijven van 28 maart 2011 heeft de rechtbank Arnhem een beroepschrift van appellant van 8 december 2010, gericht tegen - naar wordt gesteld - de weigering van het college om te besluiten op het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 2009, naar de Raad doorgezonden. In het beroepschrift van 8 december 2010 is tevens verzocht om met toepassing van artikel 8:55c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de verbeurde dwangsom vast te stellen. II. OVERWEGINGEN 1. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. De Raad ziet hierin aanleiding onder een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb mede te verstaan het niet tijdig nemen van een nieuw besluit na vernietiging door de rechtbank van de oorspronkelijke beslissing op bezwaar. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, is de Raad bevoegd om uitspraak te doen op een beroep dat is gericht tegen een dergelijk niet tijdig nemen van een nieuw besluit. 2. Het door het college ingestelde hoger beroep heeft geen schorsende werking. Gelet op artikel 7:10, eerste lid, van de Awb was het college gehouden om binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen twaalf weken na de verzending op 13 juli 2010 van de uitspraak van 13 juli 2010 een nieuwe beslissing te nemen op het bij schrijven van 1 september 2009 gemaakte bezwaar. Op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen en op grond van het vierde lid van dat artikel is verder uitstel mogelijk indien - onder meer - de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt of dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften. Bij toepassing van deze uitstelmogelijkheden is vereist dat het bestuursorgaan daarvan op grond van artikel 7:10, vijfde lid, van de Awb schriftelijk mededeling doet aan belanghebbende(n). 3. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, zoals dat luidt vanaf 1 oktober 2009, kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. 4.1. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag. In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. 4.2. Ingevolge artikel 8:55c, tweede lid, van de Awb, in verbinding met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet stelt de Raad, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge artikel 4:17 verbeurde dwangsom vast. 4.3. Uit artikel 7:14 van de Awb volgt dat artikel 4:17 van de Awb ook van toepassing is op besluiten op bezwaar. 4.4. De onder 4.1 en 4.2 geciteerde bepalingen van de Awb zijn in werking getreden op 1 oktober 2009. Ingevolge artikel III, eerste lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Stb. 2009, 383) blijft, voor zover hier van belang, op het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift dat is ingediend voor dit tijdstip, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing. 4.5. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 juli 2009 is ingediend voor 1 oktober 2009. De aangevallen uitspraak is echter gedaan na dat tijdstip. Met die uitspraak is een nieuwe termijn gaan lopen waarbinnen het college opnieuw diende te beslissen op het door appellant gemaakte bezwaar. In lijn met de uitspraak van de Raad van 25 januari 2011, LJN BN2458, is de Raad van oordeel dat redelijke toepassing van artikel III van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen er toe dient te leiden dat de onder 4.1 en 4.2 genoemde bepalingen van de Awb van toepassing zijn op het beroep van appellant tegen het uitblijven van een nieuw besluit op dat bezwaar. 5. Uit de stukken leidt de Raad af dat partijen na de uitspraak van 13 juli 2010 in onderling overleg zijn getreden om een minnelijke schikking te beproeven en dat op 4 oktober 2010 tot de conclusie is gekomen dat geen overeenstemming is bereikt waarop het college heeft aangegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te zullen gaan voorbereiden. Appellant heeft vervolgens het college bij schrijven van 1 november 2010 in gebreke gesteld ten aanzien van het nemen van een nieuw besluit op bezwaar. Voor zover de Raad bekend heeft het college tot op heden geen nieuwe beslissing op het bezwaar genomen. 6. Het college heeft desgevraagd bij schrijven van 24 december 2010 - samengevat - medegedeeld van opvatting te zijn dat het niet in verzuim is omdat de termijnen zijn opgerekt in verband met de poging om in onderling overleg tot een akkoord te komen en het college daarna binnen een redelijke termijn is gekomen tot het entameren van een medisch onderzoek ter uitvoering van de uitspraak van 13 juli 2010. Bij schrijven van 28 februari 2011 heeft het college medegedeeld dat het inmiddels de rapportage van de desbetreffende psychiater heeft ontvangen, maar dat het zich nog wil laten informeren over de arbeidsgeneeskundige gevolgen die aan deze rapportage zijn verbonden alvorens een nieuw besluit op bezwaar te nemen. 7. Het is de Raad niet gebleken dat het college aan appellant schriftelijk mededeling heeft gedaan van toepassing van een der uitstelmogelijkheden van artikel 7:10 van de Awb. Het college moet derhalve worden geacht te zijn gehouden om binnen zes weken na de verzending op 13 juli 2010 van de uitspraak van 13 juli 2010 een nieuwe beslissing te nemen. Nu het college deze termijn (ruim) heeft overschreden en appellant het college schriftelijk in gebreke heeft gesteld en de Raad heeft verzocht om met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de verbeurde dwangsom vast te stellen, zal de Raad het beroep kennelijk gegrond verklaren en de hoogte van de verbeurde dwangsom vaststellen. 8.