Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2011-05-04
ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4101
Bestuursrecht
10/996 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 februari 2010, 09/3866 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, thans de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: minister) Datum uitspraak: 4 mei 2011 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, advocaat te Woerden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.G.J. van den Heuvel en H.L. Beukenholdt, beiden werkzaam bij het Korps Landelijke Politiediensten. II. OVERWEGINGEN 1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Veiligheid en Justitie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 2.1. Appellant is met toepassing van artikel 4a (oud) en artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met ingang van 1 september 2006 voor de duur van 6 jaar benoemd tot Senior Observatieteam in de rang van brigadier bij de [naam dienst]. Appellant is in vaste dienst bij de politieregio [regio]. 2.2. Op 7 september 2007 is vanuit de [naam dienst] aan het Bureau Integriteit en Veiligheid van het Korps landelijke politiediensten (hierna: BIV) opgedragen een oriënterend onderzoek te verrichten naar incidenten waarbij appellant betrokken zou zijn geweest. Het onderzoek heeft geresulteerd in een rapport van 15 januari 2008. 2.3. Na het voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt, waarop appellant schriftelijk heeft gereageerd, heeft de minister bij besluit van 17 november 2008 geoordeeld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan verwijtbaar plichtsverzuim en bepaald dat aan appellant op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder a, van het Barp de straf van schriftelijke berisping wordt opgelegd. Verder heeft de minister bepaald dat appellant met toepassing van artikel 90, tiende lid, van het Barp met ingang van 1 maart 2009 ontslag wordt verleend uit zijn tijdelijke aanstelling bij de [naam dienst] en terugkeert naar de politieregio van herkomst, omdat tengevolge van het plichtsverzuim zijn vertrouwen in appellant verloren is gegaan. Bij besluit van 14 april 2009 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 november 2008 ongegrond verklaard. 3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij (ook) het onderdeel van het bestreden besluit betreffende het ontslag aangemerkt en beoordeeld als een aan appellant opgelegde disciplinaire straf. 4. Gelet op hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 4.1. Het ontslag waartoe de minister op grond van artikel 90, tiende lid, van het Barp ten opzichte van appellant is gekomen, dient, anders dan de rechtbank heeft gedaan, niet te worden beoordeeld als ware het een disciplinaire straf. De opsomming van de straffen in artikel 77, eerste lid, van het Barp is limitatief van aard en bedoeld ontslag behoort niet tot die opsomming. De Raad zal het onderdeel van het bestreden besluit betreffende het ontslag afzonderlijk beoordelen. 5. Schriftelijke berisping 5.1. De rechtbank heeft blijkens rechtsoverweging 6.1 van de aangevallen uitspraak het bestreden besluit betreffende de aan appellant opgelegde disciplinaire straf van schriftelijke berisping met toepassing van de juiste rechterlijke maatstaf beoordeeld. De Raad verwijst naar die rechtsoverweging. 5.2. De minister heeft aan zijn besluit appellant schriftelijk te berispen de volgende gedragingen van appellant ten grondslag gelegd: a. dat hij op 22 mei 2007 tijdens een observatieactie een burger onheus heeft bejegend. b. dat hij op 9 mei 2007 tijdens een voorverkenningsactie zijn vriendin in zijn dienstauto heeft meegenomen. 5.3. Met betrekking tot de gedraging hierboven genoemd onder a is de Raad is van oordeel dat uit het onderzoek van het BIV en ook overigens niet duidelijk is geworden wat zich tussen appellant en de burger precies heeft afgespeeld. Niet alleen heeft appellant steevast ontkend de burger onheus te hebben bejegend, ook heeft de burger over het gebeuren tegenover het BIV bij herhaling geen verklaring willen afgeven. Voor zover uit verklaringen die anderen tegenover het BIV hebben afgelegd, wel naar voren komt dat appellant zich onheus tegenover een burger heeft gedragen, berusten zij – zoals ook in het rapport van het BIV is geconcludeerd – op verklaringen van horenzeggen. Daarom kent de Raad aan die verklaringen slechts in beperkte mate gewicht toe. De Raad kan, anders dan de rechtbank, deze aan appellant verweten gedraging niet als vaststaand plichtsverzuim aanmerken. De hierboven onder b vermelde gedraging van appellant levert naar het oordeel van de Raad wel plichtsverzuim op. Appellant had, als ervaren politieman, moeten beseffen dat de aanwezigheid van een burger in zijn dienstauto tijdens een actie als hier aan de orde veiligheidsrisico’s voor de burger meebracht en tevens noodzakelijk politieoptreden kon beïnvloeden. Appellant had zijn vriendin kunnen achterlaten bij het ziekenhuis waar hij zijn collega, die hem bij de actie zou vergezellen, heeft opgehaald. Niet is gesteld dat appellant de hem verweten gedraging niet kan worden aangerekend. Ook al heeft appellant tijdens het onderzoek van het BIV de onjuistheid van deze gedraging direct erkend, toch acht de Raad de straf van schriftelijke berisping niet onevenredig aan dit plichtsverzuim. 5.4. De Raad zal dus de aangevallen uitspraak met betrekking tot het bestreden besluit betreffende de schriftelijke berisping, zij het met verbetering van de gronden, bevestigen. 6. Ontslag 6.1. Op grond van artikel 90, tiende lid, van het Barp kan in een geval als het onderhavige aan een ambtenaar in tijdelijke dienst ontslag worden verleend met ingang van de dag, gelegen binnen de bepaalde tijd, mits hij aansluitend hernieuwd in vaste dienst worden aangesteld door het bevoegd gezag binnen wiens gezagsbereik hij was aangesteld direct voorafgaand aan de aanstelling in tijdelijke dienst. Aan die voorwaarde is voldaan. 6.2. De Raad zal, gegeven de lange duur van het tijdelijk dienstverband van appellant, nagaan of zich hier de situatie voordoet waarin de minister appellant op elke redelijke grond ontslag heeft kunnen verlenen, mits daarmee niet in strijd is gekomen met een ongeschreven of geschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. 6.3. De minister heeft het ontslagbesluit gebaseerd op zijn standpunt (kort gezegd) dat ten gevolge van de gedragingen waarvoor appellant disciplinair is bestraft, en een gedraging in het begin 2007, eruit bestaande dat appellant niet heeft gemeld dat de politie bij hem aan huis is geweest in verband met een melding van huiselijk geweld, het vertrouwen in hem verloren is gegaan. 6.4. Gezien hetgeen in overweging 5.3 is vastgesteld, resteert van de gedragingen waarvoor appellant disciplinair is gestraft, enkel de gedraging dat hij zijn vriendin tijdens een actie heeft meegenomen.