Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2010-12-08
ECLI:NL:CRVB:2010:BO7276
Bestuursrecht
10/2105 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 maart 2010, 09/42 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 8 december 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A. Schellart, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schellart voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokebrand. II. OVERWEGINGEN 1.1. Bij beschikking van de kantonrechter van 12 juni 1996 is de arbeidsovereenkomst tussen appellant en [naam werkgever] met ingang van 15 juni 1996 ontbonden onder toekenning aan appellant van een vergoeding ten laste van de werkgever van ƒ 65.000, - bruto. De werkgever heeft dit bedrag op verzoek van appellant aangewend voor de aankoop van een stamrecht bij een verzekeringsmaatschappij, die hieruit met ingang van 1 juli 1996 aan appellant maandelijks een bedrag uitkeerde van ƒ 649, -. 1.2. Met ingang van 17 juni 1996 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend, bestaande uit een loongerelateerde uitkering gedurende vier jaar en een vervolguitkering gedurende twee jaar. Na het ingaan van de vervolguitkering heeft appellant een aanvraag gedaan om een aanvullende uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW). Op het aanvraagformulier heeft appellant aangegeven dat hij met ingang van 1 juli 1996 maandelijks een uitkering uit een stamrecht ontvangt van ƒ 649, -. 1.3. Bij besluit van 23 juni 2000 heeft Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. (hierna: Cadans) namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen, de rechtsvoorganger van het Uwv, appellant met ingang van 19 juni 2000 een TW-uitkering toegekend van ƒ 16,80 per week. Hierbij is rekening gehouden met de uitkering uit het stamrecht, in die zin dat die uitkering is aangemerkt als inkomsten in verband met arbeid welke op grond van het Inkomensbesluit Toeslagenwet in mindering moeten worden gebracht op de TW-uitkering. Bij besluit van 29 november 2000 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 juni 2000 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 maart 2002 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 29 november 2000 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Raad bevestigd in zijn uitspraak van 2 juni 2005, LJN AT7372. De Raad oordeelde, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 19 april 2005, LJN AT4952, gedaan in een vergelijkbare zaak met betrekking tot een IOAW-uitkering, dat het bedrag waarvoor het ten behoeve van appellant gevestigde stamrecht is aangekocht, niet kan worden aangemerkt als een eenmalige uitkering in de zin van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit IOAW (lees: TW) en dat daarmee is gegeven dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uitkeringen uit hoofde van het stamrecht moeten worden aangemerkt als inkomen in verband met arbeid. 1.4. De WW-uitkering van appellant is met ingang van 17 juni 2002 geëindigd in verband met het bereiken van de maximum uitkeringsduur. 1.5. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: minister) heeft in een brief aan onder meer het Uwv en de colleges van burgemeester en wethouders van 22 december 2005 aangekondigd zich te beraden over de gevolgen van de uitspraak van de Raad van 19 april 2005. Uit die brief blijkt onder meer dat de minister in het kader van het Inkomensbesluit IOAW steeds de interpretatie heeft voorgestaan dat, indien een eenmalige ontslagvergoeding door de werkgever wordt aangewend om ten behoeve van de werknemer een stamrecht of een lijfrente aan te kopen, de daaruit bedongen periodieke uitkeringen in het kader van de IOAW buiten aanmerking kunnen blijven, mits de belanghebbende de vrije keuze had in de besteding van de ontslagvergoeding en de vrije bestedingsmogelijkheid kan aantonen. Het beraad van de minister heeft geleid tot het Besluit van 25 februari 2008 tot wijziging van onder andere het Inkomensbesluit TW, Stb 2008,71 (hierna: het Besluit van 25 februari 2008), inhoudende dat periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht, dat is verkregen uit een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met die beëindiging is toegekend, niet als inkomen in verband met arbeid worden beschouwd, mits de werknemer aantoont dat de eenmalige uitkering door de werkgever betaalbaar is gesteld om naar eigen inzicht van de werknemer te besteden. 1.6. Naar aanleiding van het Besluit van 25 februari 2008 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van zijn besluiten van 23 juni en 29 november 2000. Bij besluit van 27 juni 2008 heeft het Uwv dit verzoek onder toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 5 december 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het Besluit van 25 februari 2008 geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is dat noopt tot herziening van zijn besluiten uit 2000. Het Uwv heeft er verder op gewezen dat het Besluit van 25 februari 2008 geen overgangsrecht bevat ten aanzien van de TW en dat er geen aanleiding is om onverplicht terug te komen op de besluiten uit 2000. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank was geen sprake van een wijziging van de regelgeving en kon reeds daarom het Besluit van 25 februari 2008 niet worden beschouwd als een nieuw feit. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat wel degelijk sprake is geweest van een wijziging van de regelgeving en dat daarin, alsmede in de maatschappelijke onrust die is ontstaan na de uitspraak van de Raad van 19 april 2005, een nieuw feit is gelegen dat noopt tot herziening van de besluiten met betrekking tot zijn TW-uitkering. Appellant heeft er hierbij op gewezen dat hij een vrije keuze had ten aanzien van de besteding van de ontbindingsvergoeding en geheel naar eigen inzicht heeft bepaald om dat bedrag onder te brengen in een stamrecht. Volgens hem week Cadans als vrijwel enige voormalige uitvoeringsinstelling af van de bestaande uitvoeringspraktijk om uitkeringen uit hoofde van een stamrecht niet als inkomen in verband met arbeid te beschouwen. Appellant meent dat hierdoor in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is gehandeld en dat om die reden, mede gelet op de brief van de minister van 22 december 2005, het Uwv onverplicht had moeten terugkomen van de besluiten uit 2000. 3.2. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat de besluiten van 23 juni 2000 en 29 november 2000 rechtens onaantastbaar zijn en dat niet is gebleken van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden die ertoe moeten leiden dat wordt teruggekomen op die besluiten. Het Uwv heeft verder gewezen op het ontbreken van overgangsrecht met betrekking tot TW-uitkeringen in het Besluit van 25 februari 2008 en op het gegeven dat de WW-uitkering van appellant al lang vóór de brief van de minister was geëindigd. Van schending van het vertrouwensbeginsel is naar zijn mening dan ook geen sprake. 4.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.