Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2010-04-08
ECLI:NL:CRVB:2010:BM2115
Bestuursrecht
08/5536, 08/5538, 08/5539, 08/5660, 08/5540, 08/5542, 08/ 5543, 08/5544, 08/5545, 08/5546, 08/5548, 08/5549, 08/5550, 08/5553, 08/5662, 08/5554, 08/5555 en 08/5556 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [appellant 1], wonende te [woonplaats 1], [appellant 2], wonende te [woonplaats 2], [appellant 3], wonende te [woonplaats 3], [appellant 4], wonende te [woonplaats 4], [appellant 5], wonende te [woonplaats 5], [appellant 6], wonende te [woonplaats 6], [appellant 7], wonende te [woonplaats 7], [appellant 8], wonende te [woonplaats 8], [appellant 9], wonende te [woonplaats 9], [appellant 10], wonende te [woonplaats 10], [appellant 11], wonende te [woonplaats 11], [appellant12], wonende te [woonplaats 12], [appellant 13], wonende te [woonplaats 13], [appellant 14], wonende te [woonplaats 14], [appellant 15], wonende te [woonplaats 15], [appellant 16], wonende te [woonplaats 16] [appellant 17], wonende te [woonplaats 17], en [appellant 18], wonende te [woonplaats 18], (hierna: appellanten), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 augustus 2008, 07/2639 e.a. (hierna: aangevallen uitspraak) in de gedingen tussen: appellanten en de Minister van Economische Zaken (hierna: minister) Datum uitspraak: 8 april 2010 I. PROCESVERLOOP Appellanten hebben hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2010. Voor appellanten is verschenen mr. J.W. Stam, advocaat te Utrecht. Van de appellanten zijn verschenen [appellant 2], [appellant 3], [appellant 5], [appellant 6], [appellant 9], [appellant 10], [appellant 13], [appellant 14], [appellant 16], [appellant 17] en [appellant 18]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.L.A. Tortike en mr. J. Ahlers, beiden werkzaam bij het Expertisecentrum Arbeidsjuridisch, en J. Harkes, werkzaam bij het ministerie van Economische Zaken. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Appellanten zijn allen werkzaam in de buitendienst bij het agentschap Telecom van het ministerie van Economische Zaken. Hun werkzaamheden bestaan vooral uit het verrichten van controles en het verhelpen van storingen, onder meer waar het gaat om de etherfrequentie. 1.2. Bij afzonderlijke besluiten van 2 en 3 november 2005 zijn appellanten ingaande 1 januari 2006 in het kader van een reorganisatie als functievolger geplaatst in hun oude functie dan wel in de nieuwe functie van inspecteur bij de nieuw gevormde afdeling Toezicht van voormeld agentschap. Daarbij is tevens bepaald dat hun standplaats Amersfoort wordt en dat het principe “woonplaats = standplaats” vervalt. Voor de financiële gevolgen van de wijziging van de standplaats is een compensatie in het vooruitzicht gesteld. Bij de bestreden besluiten van 30 januari 2007 heeft de minister de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 2 en 3 november 2005 ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. 3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende. 3.1. De grieven van appellanten zijn gelijkluidend en zijn gericht tegen de aanwijzing van Amersfoort als hun standplaats en de (financiële) gevolgen die deze aanwijzing voor hen meebrengt. 3.2. De aanwijzing van Amersfoort naast Groningen als (tweede) vestiging van het agentschap en als standplaats van de buitendienstmedewerkers is onderdeel van de reorganisatie. Deze aanwijzing is gedaan omdat het nodig werd geacht dat de buitendienstmedewerkers in landelijke teams vanuit deze ene vestiging werken, op welke vestiging zij een dag per week voor overleg moeten samenkomen. Hiermee werd beoogd de kennisoverdracht, samenwerking en flexibiliteit tussen de teams te bevorderen. Eerder kwamen de medewerkers een dag per week samen op het kantoor van hun regio. Deze kantoren, vier in getal, zijn bij de reorganisatie opgeheven. De teams blijven volgens het reorganisatieplan weliswaar voor een groot deel regionaal werken maar moeten zeker ook, onder meer bij projecten, landelijk inzetbaar zijn. 3.3. De aanwijzing van Amersfoort als standplaats van de buitendienstmedewerkers brengt mee dat het reizen van deze medewerkers vanaf hun huis naar Amersfoort als woon-werkverkeer wordt beschouwd en de reisperiode niet als werktijd/diensttijd wordt aangemerkt. Vóór de reorganisatie was de woonplaats ook de standplaats van de medewerkers hetgeen betekende dat het wekelijks voor teamoverleg reizen vanaf het huis naar het districtskantoor (wel) als diensttijd werd gezien. Gezien het aldus optredende financiële nadeel voor de medewerkers is van belang dat in artikel 4.4.1 van het hier toepasselijke Sociaal Plan EZ 2003-2007 (hierna: SP) is neergelegd dat indien de reistijd woon-werkverkeer na herplaatsing met meer dan een half uur per enkele reis wordt verlengd, die extra reistijd gedurende drie jaar als diensttijd wordt aangemerkt. In de bij het Plan van Aanpak Reorganisatie Handhaving 2005, deel II (Organisatie & Formatieplan) behorende Sociale Paragraaf is deze regeling ook uitdrukkelijk opgenomen. Met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 4.6 van het SP is deze regeling voor de buitendienstmedewerkers van het agentschap nog in zoverre verruimd dat bij een reistijd van meer dan anderhalf uur per enkele reis dat meerdere ook vanaf 1 januari 2009 als diensttijd wordt aangemerkt, dit zonder beperking in de tijd. Wat de reiskosten(vergoeding) betreft is er geen verschil met de oude situatie nu de medewerkers de beschikking blijven houden over een jaarkaart voor het openbaar vervoer alsook een dienstauto. 3.4. Door de aanwijzing van Amersfoort als standplaats bestaat voor de medewerkers op de wekelijkse vergaderdag geen aanspraak meer op een vergoeding voor maaltijden en kleine uitgaven als bedoeld in artikel 13 van het Reisbesluit binnenland. Gelet hierop heeft de minister een afkoopsom betaalbaar gesteld welke in lijn met artikel 4.2.4 van het SP is berekend door uit te gaan van een afbouwperiode van drie jaar met afbouwpercentages van respectievelijk 75, 50 en 25 per jaar. 3.5. De Raad verwerpt de stelling van appellanten dat over het hier aan de orde zijnde onderdeel van de reorganisatie op grond van het derde lid van artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement overeenstemming had moeten worden bereikt binnen het departementaal georganiseerd overleg (DGO). Deze bepaling spreekt over overeenstemming over een voorgenomen besluit tot invoering of wijziging van regels met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren. Blijkens de desbetreffende nota van toelichting gaat het bij deze bepaling om regels, zijnde algemeen verbindende voorschriften. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de aanwijzing als standplaats niet onder het begrip “regels” in deze zin valt. Weliswaar hebben appellanten er terecht op gewezen dat in de toelichting bij de Regeling procedure bij reorganisaties EZ als voorbeeld van dergelijke regels is genoemd een belangrijke wijziging in de standplaats of functie van medewerkers, maar daaraan kan niet de betekenis worden toegekend die appellanten wensen nu deze toelichting voor de uitleg van genoemde bepaling niet maatgevend is en op dit onderdeel niet als juist is te zien. Verder merkt de Raad op dat de ondernemingsraad kon instemmen met de reorganisatie en dat er binnen het DGO overleg is gevoerd over deze reorganisatie waarbij niet bleek van (overwegende) bezwaren daartegen. 3.6.