Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2010-02-18
ECLI:NL:CRVB:2010:BL6276
Bestuursrecht
08/4921 AW + 08/7080 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: korpsbeheerder), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2008, 07/2283 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) en de korpsbeheerder Datum uitspraak: 18 februari 2010 I. PROCESVERLOOP De korpsbeheerder heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpsbeheerder bij besluit van 12 december 2008 opnieuw beslist op het bezwaar van betrokkene. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2010. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R.M. Berends-Schellens, advocaat te ’s-Gravenhage. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. S. Baggerman, advocaat te Alphen aan den Rijn. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Op 16 september 2002 heeft betrokkene, in het kader van haar opleiding als agent, de oefening “bevrijding kledingaanval” uitgevoerd. De oefening stond onder leiding van een instructeur, destijds werkzaam als docent bij het [opleidingscentrum]. Op verzoek van deze instructeur heeft betrokkene de oefening twee keer samen met hem voorgedaan, waarbij betrokkene de rol had van verdachte. Bij de tweede keer is betrokkene met haar kin op de vloer van de sportzaal gevallen, waarbij nekletsel is ontstaan. Het ongeval is bij besluit van 28 oktober 2002 aangemerkt als dienstongeval. Betrokkene is - tot op heden - niet in staat gebleken volledig in het arbeidsproces terug te keren en is gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard. 1.2. Bij brieven van 14 april 2003 en 11 januari 2006 heeft betrokkene gevraagd om erkenning van de aansprakelijkheid voor de door haar nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval. Betrokkene heeft haar verzoek in de eerste plaats gebaseerd op de stelling dat het ongeval haar is overkomen omdat de korpsbeheerder niet heeft voldaan aan de zorgverplichting als werkgever, zoals bedoeld in de rechtspraak van de Raad (CRvB 22 juni 2000, LJN AB0072 en TAR 2000, 112). Meer in het bijzonder is gesteld dat de instructies onvoldoende waren, dat de instructeur onvoldoende ervaren was en dat bij de uitvoering van de oefening ten onrechte geen gebruik is gemaakt van een mat. In de tweede plaats heeft betrokkene aangevoerd dat sprake is van een fout van een ondergeschikte, te weten de instructeur, zoals bedoeld in de uitspraak van de Raad van 25 oktober 2001, LJN AD6369 en TAR 2002, 21. 1.3. Bij besluit van 23 maart 2006 heeft de korpsbeheerder afwijzend op dit verzoek om schadevergoeding beslist, omdat, kort samengevat, naar zijn mening sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 mei 2007 (bestreden besluit). 2. Bij de aangevallen uitspraak is het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en is de korpsbeheerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft betrokkene wat betreft de onvoldoende instructies en het gebruik van de mat in het gelijk gesteld en heeft tevens geoordeeld dat de instructeur een fout heeft gemaakt waarvoor de korpsbeheerder verantwoordelijk is. De korpsbeheerder heeft bij - het in rubriek I genoemde - besluit van 12 december 2008 het bezwaar gegrond verklaard en aansprakelijkheid erkend voor de schade die betrokkene lijdt en zal lijden als gevolg van het ongeval voor zover deze schade niet vergoed kan worden op grond van de bepalingen van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). 3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep is aangevoerd als volgt. 3.1. De rechtbank heeft uit de omstandigheid dat de instructeur op het moment waarop hij de oefening met betrokkene voordeed nog maar vier maanden over de bevoegdheid om de oefening uit te mogen voeren beschikte en dat betrokkene, destijds pas anderhalve maand in opleiding, de oefening voor het eerst deed en fungeerde als verdachte, afgeleid dat het op de weg van de korpsbeheerder had gelegen om aan betrokkene niet alleen duidelijke instructies te geven, maar ook om na te gaan of zij die instructies had begrepen. In hetzelfde feitencomplex zag de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat gebruik had moeten worden gemaakt van een mat. 3.2. De oefening “bevrijding kledingaanval” bestaat hieruit dat een agent, die wordt vastgepakt door een verdachte, zich moet bevrijden, waarbij gebruik gemaakt wordt van een zogeheten polsklem. De bedoeling is dat de hand van degene die de agent vastpakt, door die agent met twee handen wordt vastgepakt waarbij de pols van de verdachte wordt omgedraaid. Door deze draaiende beweging naar achteren toe zal een verdachte de omklemming willen verminderen en zich direct omdraaien. Vervolgens kan de verdachte naar de grond worden gewerkt. De handeling moet vaardig en snel worden uitgevoerd zodat er geen tegenaanval kan komen. De Raad stelt vast dat de instructeur had voldaan aan de eindtermen van de opleiding tot toetser aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardig-heden en dus een bevoegde docent was, die blijkens de rapportages bekend stond vanwege zijn vakbekwaamheid en verantwoorde manier van lesgeven. De oefening is beschreven op een cd-rom, die - naar niet is betwist - voorafgaand aan de leerlingen is uitgereikt. Voor en tijdens het uitvoeren van de oefening zijn, naar voldoende aannemelijk is geworden, mondelinge instructies gegeven. Betrokkene werd uitgenodigd de oefening nog een keer voor te doen samen met de docent, waarbij de oefening de eerste keer langzaam werd uitgevoerd. De tweede keer werd de oefening sneller uitgevoerd, waarbij het mis ging. 3.3. De Raad kan op grond van het vorenstaande niet de conclusie van de rechtbank onderschrijven dat in dit geval onvoldoende instructies zijn gegeven. Wel deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat de oefening niet zonder gebruik van een mat had moeten worden uitgevoerd. Daarbij acht de Raad met de rechtbank van doorslaggevend belang dat de oefening werd gegeven aan cursisten die net met hun opleiding waren begonnen en deze oefening voor het eerst uitvoerden. De oefening kledingaanval geldt, zo is te lezen in het rapport van expertise van 3 maart 2005, als één van de zwaardere testen. Uit het rapport van een expertpanel van 21 april 2009 valt af te leiden dat bij het uitvoeren van de oefening een zeker valrisico bestaat dat moeilijk te vermijden is en dat groter is naarmate de oefening sneller wordt uitgevoerd. Het panel kenmerkt de oefening als inherent risicovol en is van opvatting dat er valbescherming toegepast had kunnen worden. De redenen die de korpsbeheerder heeft aangevoerd om van het gebruik van een mat af te zien hebben de Raad niet kunnen overtuigen. Dat voor de oefening “bevrijding kledingaanval” blijkens het oefenprogramma het treffen van expliciete voorzieningen niet is voorgeschreven en ook niet gebruikelijk is kan niet als goede reden gelden, omdat het nu juist de vraag is of dat terecht is. De Raad merkt daarbij op dat de inspecteur van politie G.H. Pel in zijn naar aanleiding van het ongeval van betrokkene opgemaakte rapport van 20 februari 2004, tot de aanbeveling komt dat het gebruik van een mat verstandig is omdat het een oefening betreft met studenten die weinig of geen ervaring hebben met dergelijke oefeningen.