Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2009-10-21
ECLI:NL:CRVB:2009:BK1167
Bestuursrecht
08/300 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 december 2007, 07/272 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene] (hierna: betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 21 oktober 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.J. van Gastel. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door drs. J. de Jonge, Advisering U.A. te Nieuw Schoonebeek. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Op 13 augustus 2004 is betrokkene een samenlevingscontract aangegaan met de heer [J.] (hierna: [J. ]). [J. ] ontving op dat moment van appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Betrokkene heeft - naar de Raad aanneemt - op diezelfde datum een overeenkomst sui generis gesloten met [J. ] en diens beide volwassen kinderen. Bij deze overeenkomst is ondermeer in aanmerking genomen dat betrokkene sedert 1 maart 2000 samenwoont met [J. ], dat zij een gemeenschappelijke huishouding voeren en dat voor [J. ] een dringende verplichting van moraal en fatsoen bestaat om de huidige en toekomstige positie van betrokkene vast te stellen. Bij testament verleden op - eveneens - 13 augustus 2004 heeft [J. ] bepaald dat hij niet afwijkt van de wettelijke regeling omtrent de erfopvolging; aan betrokkene heeft hij bepaalde roerende zaken gelegateerd. 1.2. [J. ] is op 5 februari 2005 overleden. Bij besluit van 3 augustus 2005 heeft appellant de erven van [J. ] te kennen gegeven dat een bedrag van € 3.018,76 aan onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 6 februari 2005 tot en met 1 mei 2005 wordt teruggevorderd. Naar aanleiding van dat besluit heeft de dochter van [J. ] appellant gewezen op het samenlevingscontract van haar vader en betrokkene en heeft zij aangegeven dat betrokkene tevens erfgenaam is. Bij brief van 19 december 2006 heeft appellant betrokkene verzocht om voormeld bedrag uiterlijk op 3 januari 2007 aan hem over te maken. 1.3. Bij brief van 21 december 2006 in samenhang met de brief van 2 januari 2007 heeft betrokkene tegen dat verzoek bezwaar gemaakt. Zij heeft appellant laten weten niet met [J. ] gehuwd te zijn geweest noch een geregistreerd partnerschap met hem te zijn aangegaan. Wel heeft zij met [J. ] een samenlevingscontract gehad alsmede de daarbij behorende en/of-rekening. Deze rekening heeft betrokkene kort na het overlijden van [J. ] laten blokkeren zodat zij geen geld van die rekening heeft kunnen opnemen. Betrokkene meent dan ook dat van haar niets kan worden teruggevorderd. Tot slot heeft betrokkene in die brief aangegeven dat zij wel nabestaande in de zin van de WAO is en zij op die grond toekenning van een overlijdensuitkering verzoekt. 1.4. Bij primair besluit van 15 januari 2007 heeft appellant aan betrokkene een overlijdensuitkering toegekend van € 3.453,03. Appellant heeft daarbij aangegeven dat over de periode van 6 februari 2005 tot 1 juni 2005 de uitkering ten onrechte is doorbetaald waardoor een terugvordering is ontstaan van € 4.277,79. Appellant heeft dat bedrag in mindering gebracht op de overlijdensuitkering waardoor van betrokkene nog een bedrag van € 824,76 wordt teruggevorderd. Betrokkene heeft er, blijkens haar brief van 31 januari 2007, op gewezen dat de doorbetaalde uitkering is gestort op de privérekening van [J. ] waar zij geen toegang toe had. Het door betrokkene gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 maart 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen. De rechtbank was van oordeel dat gelet op de algemene regels omtrent de mogelijkheid van verrekening zoals neergelegd in artikel 6:127, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), de in artikel 53, zevende lid, van de WAO aangegeven wijze van verrekening niet zover gaat dat wanneer de rechthebbende op de overlijdensuitkering in het geheel niet behoort tot de erfgenamen van wie dient te worden teruggevorderd, desalniettemin verrekening kan plaatsvinden. Volgens de rechtbank is voor een dergelijke verregaande mogelijkheid tot verrekening een expliciete wettelijke grondslag nodig. De rechtbank heeft daarbij tevens gewezen op de uitspraak van de Raad van 31 mei 1995, LJN ZB3038. Tot slot heeft de rechtbank bepalingen omtrent reiskosten en griffierecht gegeven. 3. Appellant heeft zich met dat oordeel niet kunnen verenigen. In hoger beroep is het standpunt ingenomen dat met de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet BMT) op 1 augustus 1996 artikel 57 van de WAO dwingend voorschrijft dat onverschuldigd betaalde uitkeringen worden teruggevorderd. Met ingang van 1 januari 1997 is artikel 53 van de WAO aangepast, onder andere met het zevende lid dat dwingend voorschrijft dat de na het overlijden betaalde uitkering wordt verrekend met de overlijdensuitkering. Volgens appellant is het zevende lid van artikel 53 van de WAO speciaal in het leven geroepen om de na het overlijden betaalde uitkering te verrekenen met de overlijdensuitkering en is als zodanig deze bepaling lex specialis ten opzichte van artikel 6:127 BW. 4. Namens betrokkene is gemotiveerd verweer gevoerd. Tevens heeft de gemachtigde van betrokkene in het verweerschrift aangegeven incidenteel beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank, aangezien de rechtbank heeft verzuimd om aan betrokkene een vergoeding toe te kennen wegens aan haar verleende professionele bijstand door drs. J. de Jonge. 5. Met betrekking tot het door appellant ingestelde hoger beroep overweegt de Raad als volgt. 5.1. De Raad stelt vast dat betrokkene geen erfgenaam is van [J. ]. Reeds daarom kan van verrekening als bedoeld in de zin van artikel 6:127 BW geen sprake zijn. Op grond van artikel 53, eerste lid en onder c, van de WAO maakt betrokkene zelfstandig aanspraak op een overlijdensuitkering. Ingevolge artikel 53, derde lid, van de WAO is de overlijdensuitkering gelijk aan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering over één maand. Artikel 53, zevende lid, van de WAO schrijft dwingend voor dat met die overlijdensuitkering de na het overlijden teveel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering verminderd moet worden. Het zevende lid van dat artikel geeft geen voorbehoud met betrekking tot de vermindering in de situatie dat het recht op een overlijdensuitkering en de vordering niet in hetzelfde vermogen vallen. Naar het oordeel van de Raad dient daaruit te volgen dat appellant terecht uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 53, zevende lid, van de WAO. 5.2. De Raad is van oordeel dat vermindering op grond van artikel 53, zevende lid, van de WAO niet verder kan gaan dan het beloop van de overlijdensuitkering. Immers, waar het gaat om een vermindering van het bedrag van de overlijdensuitkering met het bedrag aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering dat, over na het overlijden gelegen dagen reeds is uitbetaald, is deze vermindering begrensd door het bedrag van de overlijdensuitkering, zijnde een uitkering over één maand. Een dan nog resterende terugvordering van arbeidsongeschiktheidsuitkering zal gericht moeten zijn aan de erfgenamen aan wie deze ten onrechte betaalde uitkering is toegevallen. 5.3.