Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2009-06-03
ECLI:NL:CRVB:2009:BI9087
Civiel recht
07/4237 WVG Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: appellant) tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 juni 2007, 06/1022 (hierna: aangevallen uitspraak) in het geding tussen de erven van [H.], wonende te Groningen, (hierna: betrokkenen) en appellant Datum uitspraak: 3 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkenen heeft L. Wolf, werkzaam bij de Stichting Woonstade, gevestigd te Hoogkerk-Noorddijk, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R. Mullié, J.L. Oldenburger en mr. K.A. Volten, allen werkzaam bij de gemeente Groningen. Betrokkenen zijn niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. [H.] (hierna: [H.]) had als gevolg van MS ernstig krachtsverlies in de benen. Door bemiddeling van de Hulpverleningsdienst Groningen heeft hij indertijd de beschikking gekregen over een huurwoning die deel uitmaakt van het door de Stichting Woonstade (hierna: Woonstade) destijds nieuw te bouwen appartementencomplex ‘Eli Heijmans schoollocatie’ te Hoogkerk. Van dat appartementencomplex zijn 12 appartementen bestemd voor de verkoop en 23 voor verhuur in het kader van de sociale woningbouw. Woonstade hanteert als vereiste voor het in aanmerking komen van een huurwoning onder meer de minimumleeftijd van 55 jaar. De woningen van het complex worden door Woonstade aangemerkt als ‘levensloopbestendig’. 1.2. Bij aanvraag van 10 oktober 2005 op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) en de op die wet gebaseerde Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Groningen 2001 (hierna: Verordening) heeft [H.] onder meer verzocht in aanmerking te worden gebracht voor een elektrische opener voor een galerijdeur. 1.3. Appellant heeft deze aanvraag bij besluit van 31 oktober 2005, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 12 juni 2006, afgewezen. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat de betreffende woning, gelet op de gehanteerde mimimumleeftijdseis, geschikt moet zijn om langdurig tot op hoge leeftijd bewoond te worden. De woning moet om die reden worden aangemerkt als een specifiek op ouderen gericht woongebouw, zodat artikel 6 van de Verordening aan verstrekking van de gevraagde voorziening in de weg staat. 1.4. Om [H.] niet de dupe te laten worden van wat feitelijk een geschil is over de bekostiging van de gevraagde voorziening tussen appellant en Woonstade, heeft Woonstade de gevraagde voorziening, ten bedrage van € 3.000,--, voorgefinancierd. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling over het griffierecht - het beroep tegen het besluit van 12 juni 2006 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het betreffende appartementencomplex niet is aan te merken als een specifiek op gehandicapten en ouderen gericht woongebouw. De rechtbank heeft overwogen dat het complex door de wijze van bouwen weliswaar geschikt is, of gemakkelijk geschikt is te maken, voor ouderen of gehandicapten, maar dat dit iets anders is dan ‘specifiek daarop gericht zijn’. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat op grond van de door Woonstade voor de huurwoningen van het appartementencomplex gehanteerde kwalificatie ‘levensloopbestendig’ en de voor toewijzing gestelde leeftijdseis verwacht mag worden dat het betreffende wooncomplex voldoet aan de eisen die bewoners daaraan stellen, of na verloop van tijd zullen gaan stellen. Een gemakkelijk te openen galerijdeur maakt daarvan onlosmakelijk deel uit. De aangevraagde voorziening dient gerekend te worden tot het algemeen gebruikelijke uitrustingsniveau, waarop de bewoners van een dergelijk wooncomplex mogen rekenen. 3.2. Betrokkenen hebben aangegeven dat het stellen van de leeftijdseis bedoeld is om de doorstroming van ouderen uit gezinswoningen te bevorderen. Met het stellen van de leeftijdseis is niet gegeven dat het appartementcomplex uitgerust behoort te worden met voorzieningen voor ouderen met mobiliteitsproblemen. Niet iedere 55-plusser is hulpbehoevend. Op grond van de bij de bouw in aanmerking te nemen voorschriften heeft de hoofdingang een deurautomaat. Deze eis geldt niet voor de galerijdeuren. Voorts zijn er geen minimumeisen gesteld aan het uitrustingsniveau van de aan te brengen voorzieningen. 4.1. De Raad komt op grond van het ten tijde van belang van toepassing zijnde recht tot de volgende beoordeling. 4.2.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt, voor zover hier van belang, dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van vervoersvoorzieningen aan in de gemeente woonachtige gehandicapten en dat het met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wvg daartoe bij verordening regels vaststelt. 4.2.2. In de gemeente Groningen is aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg bedoelde regelingsopdracht voldaan door vaststelling van de Verordening. 4.2.3. Artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalt (voor zover van belang): “Geen voorziening wordt toegekend indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is.” 4.2.4. Artikel 6 van de Verordening bepaalt (voor zover van belang): “De bepalingen van hoofdstuk 2 zijn niet van toepassing op specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.” 4.2.5. Hoofdstuk 2 van de Verordening betreft de bepalingen voor woonvoorzieningen. Ingevolge artikel 3 van de Verordening kan de door burgemeester en wethouders te verstrekken woonvoorziening bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van (onder andere) een woningaanpassing. 4.3. De Raad stelt vast dat artikel 6 van de Verordening, blijkens de toelichting op dit artikel en gelet op hetgeen de vertegenwoordigers van appellant ter zitting van de Raad daarover hebben verklaard, ertoe strekt woningeigenaren bij de bouw of verbouw van woongebouwen voor ouderen of gehandicapten direct de voor deze doelgroepen algemeen gebruikelijke voorzieningen te laten aanbrengen. Artikel 6 van de Verordening dient dan ook te worden aangemerkt als een verbijzondering van het bepaalde in artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening. 4.4. De Raad stelt, mede gelet op hetgeen overwogen is onder 3.1 en 3.2, vast dat het geschil tussen partijen betrekking heeft op de vraag of de door [H.] aangevraagde woonvoorziening algemeen gebruikelijk is, als bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, in verbinding met, voor zover van belang, artikel 6 van de Verordening. Tussen partijen is niet in geschil dat [H.] ten tijde van belang aan alle overige vereisten voor deze voorziening, gesteld bij en krachtens de Wvg, voldeed. 4.5. Voor de uitleg van het begrip “algemeen gebruikelijk” bij de beoordeling van aanvragen om een woonvoorziening verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 20 december 2006, LJN AZ5998.