Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2007-11-06
ECLI:NL:CRVB:2007:BB7265
Bestuursrecht
06/6377 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 september 2006, 06/1339 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College) Datum uitspraak: 6 november 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F.W. Verweij, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2007. Voor appellant is verschenen mr. A.P. van Stralen, advocaat te Utrecht. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellant ontving algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij heeft van 2 september 2004 tot en met 22 september 2004 de hem opgelegde gevangenisstraf thuis ondergaan in het kader van een in november 2003 door de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Justitie gestarte pilot met elektronisch gecontroleerd huisarrest [hierna: elektronische detentie (ED)]. Hij had geen betaalde baan. Voor de kosten van levensonderhoud kon hij aanspraak maken op een vergoeding vanwege van het ministerie van Justitie. Deze vergoeding bedroeg maximaal € 7,50 per dag. Bij besluit van 14 oktober 2005 heeft het College de bijstand van appellant ingetrokken over de detentieperiode en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 538,42 netto van hem teruggevorderd met toepassing van de artikelen 13, eerste lid, aanhef en onder a, en 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Bij besluit van 3 februari 2006 heeft het College het tegen dit besluit van 14 oktober 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 3 februari 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Aangevoerd is onder meer dat sprake is van rechtsongelijkheid ten opzichte van personen die onder elektronisch toezicht zijn gesteld in het kader van een penitentiair programma. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Naar het oordeel van de Raad is in de hier van belang zijnde periode sprake geweest van vrijheidsontneming in de zin van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant door de strafrechter op grond van het Wetboek van Strafrecht tot een gevangenisstraf was veroordeeld. Ter uitvoering van die straf onderging hij de ED in zijn woning. Hij was in beginsel verplicht thuis te blijven en werd met elektronische middelen gecontroleerd of hij zich ook daadwerkelijk thuis bevond. De omstandigheid dat ED (nog) niet als zodanig in het Wetboek van Strafrecht is opgenomen en het gegeven dat appellant met een enkel- of polsband zijn huis maximaal twee uur per dag op vastgestelde tijden mocht verlaten, leiden de Raad niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB in beginsel aan bijstandsverlening tijdens de ED in de weg stond. In artikel 13, derde lid, van de WWB, in samenhang met het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid (Stb. 2000, 53, zoals sedertdien gewijzigd; hierna: het Besluit) is voorzien in een aantal uitzonderingen op de uitsluiting van het recht op bijstand van degenen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen. Het betreft degenen die deelnemen aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) en vijf andere in dat Besluit nader omschreven categorieën van personen waarbij de verdere tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een penitentiaire inrichting of TBS-inrichting plaatsvindt. Deze personen kunnen wel een beroep doen op een bijstandsuitkering. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat appellant niet tot één van de in het Besluit omschreven groepen van personen behoorde. Van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB was in het geval van appellant geen sprake. De hiervoor vermelde grief inzake - kort gezegd - de ongelijke behandeling strekt ertoe, zo begrijpt de Raad, dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB in zijn geval buiten toepassing moet worden gelaten omdat hiermee een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen onder elektronisch toezicht gestelde deelnemers aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Pbw en personen, zoals appellant, die niet in het kader van een dergelijk programma onder ED zijn gesteld. In het kader van de bijstandswetgeving hebben Nederlanders en daarmee gelijk gestelde vreemdelingen in beginsel recht op bijstand van overheidswege, voor zover zij hier te lande in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeren en voor zover zij geen beroep kunnen doen op een toereikende en passende voorliggende voorziening. In dit licht bezien moeten de beide genoemde groepen van personen, voor zover zij tot de personenkring van de WWB behoren, voor de toepassing van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) als gelijke gevallen worden beschouwd. Het gewraakte onderscheid bestaat hierin dat de hiervoor bedoelde groep van deelnemers aan een penitentiair programma in beginsel wel recht op bijstand ingevolge die wet heeft naar de toepasselijke bijstandsnorm en dat daartegenover de groep van personen waartoe appellant tijdens zijn ED behoorde - behoudens een tot acute noodsituaties beperkte uitzonderingsmogelijkheid - van dat recht is uitgesloten. Van de mogelijkheid om met toepassing van artikel 13, derde lid, van de WWB (ook) laatstbedoelde groep aan te wijzen als een categorie van personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een penitentiaire inrichting plaatsvindt, heeft de wetgever geen gebruik gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 26 van het IVBPR kan het thans bestaande onderscheid tussen beide groepen geen stand houden indien dit niet is gerechtvaardigd door redelijke en objectieve gronden. Daarvan zal sprake zijn indien met dit onderscheid geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of als de gehanteerde middelen niet geschikt zijn om dat doel te bereiken of niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB komen personen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen, niet in aanmerking voor algemene en bijzondere bijstand, omdat in de noodzakelijke kosten van het bestaan van deze personen wordt voorzien door het ministerie van Justitie. Met deze bepaling wordt beoogd om dubbele betaling uit collectieve middelen te voorkomen. In de rechtspraak is al aanvaard dat deze doelstelling rechtens aanvaardbaar is en dat het middel van uitsluiting in zijn algemeenheid geëigend is om deze doelstelling te bereiken (zie onder meer de uitspraak van 18 juni 2004, LJN AP4680). Voor plaatsing in ED komen veroordeelden met een maximumstraf van negentig dagen in aanmerking. Door deze groep van personen uit te sluiten van het recht op bijstand wordt op zich genomen ook ten aanzien van hen bereikt dat geen dubbele betaling uit collectieve middelen kan plaatsvinden zowel vanwege het ministerie van Justitie als vanwege het College. Dit neemt niet weg dat er situaties kunnen zijn dat onverkorte toepassing van deze uitsluiting niet als een evenredig middel kan worden beschouwd om dit doel te bereiken.