Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2007-03-01
ECLI:NL:CRVB:2007:BA6723
Bestuursrecht
05/5493 AW 06/758 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Directie van de Rijksdienst voor het wegverkeer (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 juli 2005, 04/509 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) en appellant Datum uitspraak: 1 maart 2007 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Op 19 januari 2006 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit genomen. Betrokkene heeft gemotiveerd uiteengezet dat dit besluit niet aan haar beroep tegemoet komt. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E.C.M. Paumen, advocaat te ’s-Gravenhage en mr. H. Pasman, werkzaam bij de Rijksdienst voor het wegverkeer (hierna: RDW). Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.M. Boerma, werkzaam bij ABVAKABO FNV. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Betrokkene was sedert 1 april 1981 werkzaam bij het stafbureau van de RDW te Veendam, laatstelijk in de functie van medewerker Administratieve Organisatie/ Interne Controle, bezoldigd naar schaal 7. Als gevolg van een reorganisatie is de functie van betrokkene komen te vervallen en is zij met ingang van 1 april 2002 voor de duur van 18 maanden als herplaatsingskandidaat aangewezen. 1.2. Bij besluit van 12 juni 2003 heeft appellant betrokkene met ingang van 1 oktober 2003 eervol ontslag verleend op grond van artikel 135 van het Rechtspositiereglement RDW (hierna: Rpr RDW), waarin onder meer is bepaald dat een medewerker in het kader van reorganisatie eervol ontslag kan worden verleend, indien het niet mogelijk is gebleken om hem te herplaatsen in een passende functie. Bij nader besluit van 15 augustus 2003 is de herplaatsingstermijn overeenkomstig artikel 87, derde lid, van het Rpr RDW verlengd, en de ontslagdatum opgeschort, tot 1 januari 2004. 1.3. Het tegen het ontslag gemaakte bezwaar is in afwijking van het advies van de bezwarencommissie personele aangelegenheden (hierna: bezwarencommissie) bij besluit van 5 april 2004 ongegrond verklaard. Het advies van de bezwarencommissie hield in het bezwaar gegrond te verklaren, omdat appellant niet tot ontslag kon overgaan, gelet op het bepaalde in artikel 87, eerste lid, van het Rpr RDW. Op grond van dit artikel is appellant, kort gezegd, verplicht om de medewerker gedurende de herplaatsingstermijn ten minste één passende functie aan te bieden. Niet in geschil is dat betrokkene binnen die termijn geen passende functie is aangeboden. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het besluit van 5 april 2004 vernietigd en appellant opgedragen opnieuw op het bezwaar van betrokkene te beslissen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat aan de tekst van artikel 87 in samenhang met artikel 135 van het Rpr RDW niet de betekenis kan worden toegekend dat het uitblijven van een functieaanbod in de weg staat aan een eervol ontslag in het kader van een reorganisatie. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel niet komen vast te staan dat het niet mogelijk is gebleken betrokkene in een passende functie te herplaatsen. 2.1. Bij het in rubriek I genoemde besluit van 19 januari 2006 heeft appellant - onder voorbehoud van de uitkomst van zijn hoger beroep - het bezwaar van betrokkene wederom ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant - onder meer - door middel van een overzicht van vacatures nader gemotiveerd dat zich voor betrokkene geen passende functies hebben voorgedaan in de in geding zijnde periode. Het geding in hoger beroep strekt zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uit tot dit nadere besluit. De bevoegdheid 3. De Raad stelt vast dat de besluiten van 5 april 2004 en van 19 januari 2006 zijn genomen door de algemeen directeur. Op grond van het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van het Rpr RDW is de directie het bevoegd gezag. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat genoemde besluiten onbevoegd zijn genomen. De Raad ziet aanleiding nader op de ingebrachte grieven in te gaan. Omvang van het geding 4. In hoger beroep heeft appellant allereerst aangevoerd dat de rechtbank met haar overweging dat niet is komen vast te staan dat het niet mogelijk is gebleken betrokkene te herplaatsen, buiten de omvang van het geding is getreden. Betrokkene heeft naar de opvatting van appellant door in haar beroepschrift de overwegingen van de bezwarencommissie volledig te onderschrijven, erkend dat de herplaatsingsinspanningen voldoende zijn geweest. 4.1. De Raad onderschrijft dat standpunt niet. Naar zijn oordeel valt een dergelijke erkenning niet in het beroepschrift te lezen. Van een uitdrukkelijk prijsgegeven van het standpunt dat in strijd is gehandeld met de van toepassing zijnde rechtspositionele bepalingen is geen sprake. Nu voorts ter zitting bij de rechtbank is verklaard dat onvoldoende inspanningen zijn verricht om betrokkene te herplaatsen en appellant in de gelegenheid is geweest daarop te reageren, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Het reorganisatie-ontslag 5. In geschil is of appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij op grond van artikel 135, eerste lid, van het Rpr RDW bevoegd was betrokkene eervol ontslag te verlenen, omdat het niet mogelijk is gebleken betrokkene te herplaatsen in een passende functie. Een onderdeel van deze vraag is of appellant terecht heeft gesteld dat geen passende functies voorhanden waren. Hierbij dienen de artikelen 135, eerste lid, en 87 van het Rpr RDW in onderlinge samenhang te worden bezien. 5.1. In het kader van het onderzoek naar de herplaatsingsmogelijkheden is het bevoegd gezag, gelet op het bepaalde in artikel 87, eerste lid, van het Rpr RDW, verplicht aan de medewerker ten minste één passende functie aan te bieden. Niet in geschil is dat betrokkene geen passende functie is aangeboden. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dat het uitblijven van een functieaanbod niet in de weg staat aan een eervol ontslag in het kader van reorganisatie. Indien het onmogelijk blijkt te zijn een passende functie aan te bieden, is eervol ontslag mogelijk. Dit laatste betekent wel dat het bevoegd gezag activiteiten moet ondernemen om de ambtenaar te herplaatsen en gehouden is de activiteiten gericht op herplaatsing toetsbaar te maken. 5.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant bij het besluit van 5 april 2004 onvoldoende inzicht heeft gegeven in de herplaatsingsinspanningen in de in geding zijnde periode. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat dit niet mogelijk was omdat er gewoonweg geen passende functies voorhanden waren. Dit betekent immers niet dat het voor appellant niet mogelijk was om een en ander op adequate wijze aan te tonen. In zoverre treft het hoger beroep geen doel en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Het besluit van 19 januari 2006 6. Bij het nieuwe besluit op bezwaar heeft appellant aan de hand van een vacatureoverzicht nader gemotiveerd dat er geen passende functies voor betrokkene beschikbaar waren. Dit overzicht laat zien dat in de in geding zijnde periode meerdere vacatures zijn opengesteld, die op grond van het schaalniveau en de door betrokkene vervulde functies in beginsel als passend zouden zijn aan te merken.