Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2007-04-12
ECLI:NL:CRVB:2007:BA3110
Bestuursrecht
05/5252 AW en 05/5253 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15 juli 2005, 04/1269 en 04/618 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (hierna: college) Datum uitspraak: 12 april 2007 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.H.E. Bloemer, advocaat te Roermond. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en drs. J.W.M. Koppers, werkzaam bij de gemeente Roermond. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Appellant was vanaf 1 juni 1996 werkzaam bij de dienst [naam dienst] van de gemeente Roermond, laatstelijk vanaf 1 november 1998 in de functie van toezichthouder/ buitengewoon opsporingsambtenaar. Op 25 februari 2004 heeft mevrouw N.H. (hierna: H), collega en ex-partner van appellant, zich gewend tot haar teamleider met de mededeling dat appellant via het computerprogramma MSN-chat aan meerdere collega’s foto’s van haar had getoond waarvan zij het bestaan niet kende en waarop zij geheel of gedeeltelijk ontkleed te zien was en dat zij daarvan niet gediend was. Daags daarna heeft een collega aan die teamleider bevestigd dat appellant dergelijke foto’s had getoond bij chat-sessies. 1.2. Bij besluit van 2 maart 2004 heeft het college appellant met onmiddellijke ingang in het belang van de dienst geschorst met toepassing van artikel 8:15:1 van de Regeling Arbeidsvoorwaarden Gemeente Roermond (RAGR) en is appellant de toegang tot de kantoren, werkplaatsen en andere arbeidsterreinen van de gemeente ontzegd op grond van artikel 15:1:19 van de RAGR. Om redenen van spoedeisendheid heeft het college ervan afgezien om appellant voorafgaand aan de schorsing te horen. Vervolgens heeft het college een onderzoek laten verrichten naar plichtsverzuim van appellant. In het kader van dat onderzoek zijn H, enkele collega’s en appellant gehoord. Voorts zijn door één van die collega’s, mevrouw B, afdrukken overgelegd van 19 foto’s waarop H is afgebeeld en die door appellant zijn getoond bij het chatten met collega’s. Van deze foto’s zijn beschrijvingen gemaakt die onderdeel uitmaken van de gedingstukken; de foto’s zelf zijn niet als gedingstuk ingediend. Bij besluit van 23 april 2004 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het schorsingsbesluit van 2 maart 2004 ongegrond verklaard. 1.3. Bij besluit van 7 juni 2004 heeft het college, na daartoe het voornemen te hebben geuit, de grondslag van de schorsing met ingang van 14 juni 2004 gewijzigd in schorsing op grond van het voornemen van onvoorwaardelijk strafontslag als bedoeld in artikel 8:15:1, lid 1, aanhef en onder a, van de RAGR en de bezoldiging met toepassing van artikel 8:15:1, lid 2, van de RAGR teruggebracht tot 90% van een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet. 1.4. Bij besluit van 22 juni 2004 heeft het college, overeenkomstig het aan appellant bekend gemaakte voornemen, appellant wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd. Het college heeft het ontslag gebaseerd op een viertal als plichtsverzuim aan appellant ten laste gelegde feiten. 1.5. Bij besluit van 14 september 2004 (hierna: bestreden besluit 2) zijn de bezwaren tegen de besluiten van 7 juni en 22 juni 2004 ongegrond verklaard en zijn die besluiten gehandhaafd. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. 3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 3.1. Bestreden besluit 1 3.1.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het besluit om appellant te schorsen in het belang van de dienst rechtens houdbaar is en verwijst naar de overwegingen van de rechtbank dienaangaande. Met betrekking tot de grieven van appellant in hoger beroep wijst de Raad er nog op dat het besluit tot schorsing niet slechts was gebaseerd op de mededeling van H, doch tevens op de bevestigende verklaring van een collega. Naar het oordeel van de Raad kon het college op grond van deze verklaringen in redelijkheid tot de conclusie komen dat ernstig getwijfeld moest worden aan de integriteit van appellant en dat het niet aanvaardbaar was dat hij zijn werkzaamheden zou blijven verrichten gedurende het onderzoek naar mogelijk plichtsverzuim. Nog daargelaten of het college zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat er voorafgaand aan de schorsing voldoende spoedeisend belang was om met toepassing van artikel 4:11, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te zien van het horen van appellant, kan de Raad niet inzien dat appellant door de onmiddellijke schorsing zou zijn geschaad in zijn verdediging, nu hij nadien eerst in het kader van het onderzoek naar plichtsverzuim en vervolgens in het kader van het bezwaar tegen de schorsing in de gelegenheid is gesteld zijn verhaal te doen. 3.2. Bestreden besluit 2 3.2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - kort gezegd - geoordeeld dat alleen van het eerste feit dat het college aan appellant als plichtsverzuim ten laste heeft gelegd, voldoende is komen vast te staan dat appellant zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Dat appellant de overige drie tenlastegelegde feiten zou hebben gepleegd, is volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. Op uitsluitend die eerste grond acht de rechtbank het strafontslag houdbaar. 3.2.2. Ingevolge artikel 16.1.1, tweede lid, van de RAGR is plichtsverzuim onder meer het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Het eerstgenoemde feit dat het college aan appellant als plichtsverzuim ten laste heeft gelegd, luidt: “het opzettelijk en als gewaarschuwd man in het tijdvak tussen eind 2003 en 26 februari 2004 via MSN-chat zonder medeweten en instemming van degene die daarop is te herkennen en zonder daartoe door anderen te zijn aangezet of uitgenodigd tonen aan derden, onder wie 7 collega’s, van 19 al dan niet bewerkte foto’s met een obsceen c.q. pornografisch karakter, voorstellende uw collega mevrouw H”. 3.2.3. Zoals de rechtbank terecht heeft gesteld, zal de overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim moeten worden ontleend aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het college bij zijn besluitvorming ter beschikking hebben gestaan. Ten aanzien van het onder 3.2.2. beschreven feit overweegt de Raad dat uit de verklaringen van de collega’s volgt dat appellant in het genoemde tijdvak tijdens MSN-chatsessies foto’s heeft getoond van H, waarop zij zonder kleding en soms verwikkeld in seksuele handelingen is te zien, en dat de beschrijvingen van de 19 overgelegde foto’s overeenstemmen met die verkla-ringen. Appellant heeft dienaangaande verklaard dat hij inderdaad een aantal foto’s van H heeft getoond bij het chatten met collega’s maar dat minder dan 10 foto’s daarvan pikant getint waren. Nadien, zo ook ter zitting van deze Raad, heeft appellant deze verklaringen herhaald. Gelet op het vorenstaande gaat de Raad ervan uit dat appellant zich heeft schuldig gemaakt aan genoemd feit.