Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2006-11-28
ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3437
Bestuursrecht
05/2497 NABW, 05/2498 NABW, 05/6970 NABW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 april 2005, 04/2375 en 04/2893 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College) Datum uitspraak: 28 november 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingezonden, waaronder een nader besluit van het College 28 november 2005. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2006. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Balkema en het College door mr. M.A. de Ronden, werkzaam bij de gemeente Arnhem. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Appellante ontving bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder, dit in aanvulling op inkomsten uit arbeid in dienstbetrekking. Het College verrekende die inkomsten telkens achteraf met de uitkering. Met ingang van 1 september 2003 was de omvang van de dienstbetrekking van appellante zodanig dat zij met ingang van die datum aanspraak kon maken op een loon ten minste ter hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm. Eind oktober 2003 heeft zij het loon over de maand september 2003 ontvangen. Appellante heeft van een en ander door middel van de daarvoor bestemde formulieren op 2 oktober 2003 en 6 november 2003 aan het College mededeling gedaan. Bij besluit van 9 december 2003 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2003 ingetrokken en aangekondigd dat de teveel verstrekte uitkering van haar zal worden teruggevorderd. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 januari 2004 heeft het College de bijstand over de maanden september 2003 en oktober 2003 ingetrokken op de grond dat vanaf 1 september 2003 de inkomsten van appellante meer bedroegen dan de voor haar van toepassing zijnde bijstandsnorm. Voorts is bij dit besluit de bijstand over de maand augustus 2003 herzien omdat de inkomsten van appellante over die maand nog niet op haar uitkering in mindering waren gebracht. Ten slotte heeft het College bij dit besluit, onder verwijzing naar artikel 81, eerste lid, van de Abw, de over de periode van 1 augustus 2003 tot 1 november 2003 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.678,90 bruto van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft het College het door appellante tegen het besluit van 15 januari 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het College heeft bij dit besluit, voor zover hier van belang, de terugvordering gebaseerd op de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in plaats van op de Abw. Hangende het tegen het besluit van 7 oktober 2004 bij de rechtbank ingestelde beroep heeft het College bij besluit van 22 november 2004 het besluit van 5 oktober 2004 ingetrokken en, voor zover hiervan belang, de terugvordering (wederom) gebaseerd op artikel 81, eerste lid, van de Abw. In beroep tegen het besluit van 5 oktober 2004 heeft appellante onder meer aangevoerd dat dit besluit terecht op de WWB is gebaseerd en dat het College in de situatie van appellante aanleiding had moeten zien om te volstaan met een netto-terugvordering. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2004 niet-ontvankelijk verklaard wegens het vervallen zijn van het procesbelang. Het beroep tegen het besluit van 22 november 2004, welk besluit door de rechtbank is aangemerkt als een besluit in de zin van de artikelen 6:18 eerste lid, en 6:19 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), is gegrond verklaard. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd voor zover de over de maand augustus 2003 teveel verstrekte bijstand van appellante is teruggevorderd en bepaald dat het College ter zake van deze terugvordering een nieuw besluit op bezwaar neemt. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft allereerst overwogen dat het College bij het besluit van 22 november 2004 terecht toepassing heeft gegeven aan de bepalingen van de Abw. Met betrekking tot de bruto-terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat, nu het College in januari 2004 heeft besloten tot terugvordering van over (een deel van) het jaar 2003 gemaakte kosten van bijstand en verrekening met de Belastingdienst ter zake van afgedragen loonbelasting en premies derhalve niet meer mogelijk is, op grond van artikel 90 van de Abw de terugvordering naast de netto teveel betaalde bijstand ook de daarover verschuldigde en afgedragen loonbelasting moet bevatten. Met betrekking tot de maand augustus 2003 heeft de rechtbank overwogen dat het College de over die maand teveel verstrekte uitkering heeft teruggevorderd terwijl geen herzieningsbesluit is genomen. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze betrekking heeft op het besluit van 22 november 2004. Appellante is van mening dat de rechtbank de terugvordering over de gehele periode van 1 augustus 2003 tot 1 november 2003 had moeten vernietigen en had moeten overwegen dat het College in de situatie van appellante aanleiding had moeten zien om te volstaan met een netto-terugvordering. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College bij besluit van 29 november 2005 de bijstand van appellante over de maand augustus 2003 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB herzien en voorts met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, en vierde lid, tweede volzin, van de WWB besloten tot terugvordering van de over die maand teveel betaalde bijstand tot een bedrag van € 769,66 bruto. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 april 2005 (LJN: AT4358) stelt de Raad allereerst vast dat het besluit van 22 november 2004 wat de bevoegdheidsgrondslag van de terugvordering betreft ten onrechte op de Abw is gebaseerd in plaats van op de WWB. Ingevolge artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB, zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang, kunnen loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede de ziekenfondspremie, worden teruggevorderd voor zover deze belastingen en premies niet verrekend kunnen worden met de Belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Anders dan onder de Abw, waar in artikel 90 de bruto-terugvordering in het geval van het niet kunnen verrekenen van loonbelasting en premies met onder andere de Belastingdienst als een verplichting is geformuleerd, is onder de WWB de bruto-terugvordering een discretionaire bevoegdheid. Ten tijde hier van belang had het College, zoals ter zitting van de Raad is verklaard, ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid geen (specifiek) beleid ontwikkeld. Het College stelt zich op het standpunt, dat indien verrekening met de Belastingdienst niet meer mogelijk is, de terugvordering altijd bruto dient plaats te vinden. De Raad is van oordeel dat het College in het geval van appellante bij afweging van de rechtstreeks bij de besluitvorming betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de in artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB neergelegde bevoegdheid tot bruto-terugvordering, zodat sprake is van strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 5 — Regeling stoffenlijsten en concentraties schadelijke vloeistoffen
- Artikel 1 — Regeling stoffenlijsten en concentraties schadelijke vloeistoffen
- Artikel 8 — Participatieplaatsen
- Artikel 4 — Participatieplaatsen
- Artikel 6_18 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 4 — Algemene wet bestuursrecht