Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2006-09-28
ECLI:NL:CRVB:2006:AY9689
Bestuursrecht
05/3497 MAW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 april 2005, 03/3911 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris) Datum uitspraak: 28 september 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Namens de staatssecretaris is een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding 05/3492 MAW tussen R. Laurens en de staatssecretaris, plaatsgevonden op 20 juli 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.J.G. Dudink, advocaat te Woerden. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. van Wezel, werkzaam bij het ministerie van Defensie. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is na de reorganisatie van de Directie Materieel met ingang van 1 december 1998 de functie toegewezen van junior medewerker techniek en documen-tatie bij de Koninklijke Landmacht, directie Materieel. Aan deze functie is de rang van adjudant-onderofficier verbonden. 1.2. Bij rekest van 26 december 2002 heeft appellant verzocht zijn functie te waarderen met de rang van eerste luitenant en hem met terugwerkende kracht tot 1 december 1998 te bevorderen. Bij besluit van 26 maart 2003 (hierna: primair besluit), is bepaald dat de functie vastgesteld blijft op het rangsniveau van adjudant-onderofficier. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de staatssecretaris ongegrond verklaard bij zijn besluit van 11 augustus 2003 (hierna: bestreden besluit). 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de gedingstukken blijkt dat de door de dienstleiding goedgekeurde aanhangsels bij de functiebeschrijving door de staatssecretaris zijn meegenomen bij de functiewaardering en dat niet is gebleken dat niet tot een niveauscore van 203 punten kon worden gekomen, welke score in beginsel tot de rang van luitenant zou leiden. Voorts is overwogen dat het beleid om het aantal uitloop-functies te beperken de rechterlijke toets kan doorstaan en dat de staatssecretaris in het geval van appellant met toepassing van dit beleid in het belang van de organisatie heeft kunnen besluiten aan de functie de rang van adjudant-onderofficier te verbinden. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank overwogen dat over de waardering van de functies van de vier militairen die appellant heeft genoemd te weinig bekend is om te oordelen dat sprake is van gelijke gevallen. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat niet inzichtelijk is gemaakt waarom zijn functie van junior medewerker techniek en documentatie is gewaardeerd in de rang van adjudant-onderofficier en de functie van medewerker techniek en documen-tatie is gewaardeerd in de rang van luitenant, nu in beide functies aan complexe projecten moet worden gewerkt. Appellant kan uit de stukken voorts niet afleiden of de aanhangsels bij de functiebeschrijving al dan niet zijn meegenomen bij de functiewaardering. Ook heeft hij de afzonderlijke scores voor diverse gezichtspunten aangevochten. Daarnaast heeft appellant een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en is hij van mening dat het beleid dat ertoe strekt de uitloopfuncties te beperken nog niet van toepassing was bij de indiening van zijn eerste verzoek. 3.2. De staatssecretaris handhaaft zijn standpunt dat aan de functie van appellant de rang van adjudant-onderofficier verbonden dient te blijven. Daartoe heeft hij overwogen dat ingevolge de Richtlijn voor rangstoekenning en indeling van organieke functies van 5 april 2001, de rangsindicatie als uitkomst van de functiewaardering één of twee rangen kan omvatten. De functie van appellant scoorde in de rangbracket adjudant-luitenant. Indien de rangsindicatie twee rangen vermeldt en de niveauscore boven het rekenkundig midden van de overlap in de rangbracket valt, wordt de hoogste van de twee rangen toegekend. In bijzondere gevallen kan daarvan worden afgeweken. De functie van appellant scoort één punt boven het gemiddelde, hetgeen impliceert dat de hoogste rang (luitenant) zou moeten worden toegekend. Gelet op het beleid, zoals neergelegd in de nota Loopbaanmogelijkheden Onderofficieren van 22 december 1999 en de Procedure Vast-stelling Uitloopfuncties van 21 april 2001, is uit bestandsmatige overwegingen - ter voorkoming van overtolligheid van onderofficieren - niet de rang van luitenant toege-kend. De staatssecretaris is tevens van mening dat gezien de behaalde score geen inhoudelijk oordeel hoeft te worden gegeven over de overeenkomsten tussen de functies van junior medewerker techniek en documentatie en de medewerker techniek en documentatie en de tijdelijke aanhangsels. Over het gelijkheidsbeginsel heeft de staats-secretaris overwogen dat de collega’s die zijn bevorderd tot luitenant, behoren tot de categorie Technisch Middenkader waarvoor een afzonderlijk loopbaanbeleid geldt. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. In hoger beroep heeft appellant voor het eerst gedetailleerd de bij de functiewaar-dering op de afzonderlijke gezichtspunten behaalde scores aangevochten. Desgevraagd heeft appellant aangevoerd niet in de gelegenheid te zijn geweest de afzonderlijke scores eerder aan te vechten omdat pas in eerste aanleg, kort voor de zitting van de rechtbank namens de staatssecretaris nadere op de functiewaardering betrekking hebbende stukken werden overgelegd. 4.2. De Raad overweegt dienaangaande dat aannemelijk is dat aan appellant, zoals deze heeft gesteld, in een eindgesprek over de functiewaardering is meegedeeld dat tegen de functiewaardering geen bezwaar kan worden gemaakt; dat geen bezwaarmogelijkheid bestaat, is immers ook vermeld in de in eerste aanleg overgelegde folder “Functiewaar-dering, Vaststelling, Mededeling, Bezwaar en Beroep; Handreiking voor de commandant en de P & O adviseur, van het NATCP-ressort van 14 mei 2002”. In de folder is expliciet vermeld dat voor de militair geen bezwarenprocedure aanwezig is. Wel is het voor de militair te allen tijde mogelijk een rekest in te dienen. Ter zitting is namens de staats-secretaris overigens naar voren gebracht dat besluiten inzake functiewaardering naar zijn nader inzicht wel appellabel zijn. 4.3. De Raad stelt in verband met het vermelde onder 4.2. vast dat de staatssecretaris het in 2002 genomen besluit tot waardering van de functie van appellant met de daarbij behorende puntenwaardering op de onderscheidene gezichtspunten niet aan appellant heeft bekend gemaakt. Dientengevolge is appellant niet de mogelijkheid gegeven om tegen deze waardering bezwaar te maken. Weliswaar heeft appellant een rekest ingediend als onder 1.2. vermeld, maar dit houdt slechts het verzoek in tot het verbinden van de rang van luitenant aan de functie en bevat slechts in beperkte mate (meer algemene) grieven tegen de functiewaardering als zodanig, waarbij niet op de afzonderlijke gezichtspunten wordt ingegaan; dit laat zich verklaren door het vermelde onder 4.2. in samenhang met het niet bekendmaken van de functiewaardering. 4.4. De beslissing over de rangstoekenning dient plaats te vinden op basis van de bij de functiewaardering behaalde totaalscore.