Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2006-02-22
ECLI:NL:CRVB:2006:AV3834
Bestuursrecht
04/3745 WVG U I T S P R A A K in het geding tussen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stede Broec, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 juni 2004, reg.nr. 03/1398 WVG. Namens gedaagde heeft mr. drs. F. Westenberg, advocaat te Hoorn, een verweerschrift ingediend. Vanwege appellant zijn nadere stukken ingezonden. drs. W.J.M. Peters, juridisch adviseur bij de Stichting StimulanSZ te Den Haag, alsmede door M. Maat-Vriend en G. Steltenpool, beiden werkzaam bij de gemeente Hoorn. Voor gedaagde zijn daar verschenen mr. drs. Westenberg en M.J.H. Ligthart, lid van de raad van bestuur van de West-Friese Zorggroep De Omring te Grootebroek. Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde appellant in de gelegenheid te stellen nadere gegevens in het geding te brengen. Appellant heeft bij brieven van 8 november 2005, 1 december 2005 en 9 januari 2006 nadere gegevens, waaronder een schrijven van het Centrum indicatiestelling zorg Hoorn gedateerd 5 januari 2006 ingezonden. Namens gedaagde is daarop bij brief van 31 januari 2006 (met in bijlage een brief van de verpleeghuisarts L. Booy) gereageerd. De behandeling is voortgezet ter zitting van 8 februari 2006. Voor appellant zijn daar verschenen M. Maat-Vriend en G. Steltenpool. Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. drs. Westenberg en M.J.H. Ligthart. II. MOTIVERING De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende tussen partijen niet in geschil zijnde feiten en omstandigheden. Gedaagde, geboren [in] 1940, is gehandicapt tengevolge van een herseninfarct met verlamming rechts, afasie en afonie als restverschijnselen. Zij is rolstoelgebonden en vrijwel geheel ADL-afhankelijk. Sinds april 2003 woont zij zelfstandig in een appartement dat deel uitmaakt van het woonzorgcentrum [woonzorgcentrum] te [vestigingsplaats]. Zij huurt dit appartement van woningstichting de [woningstichting]. De benodigde thuiszorg betrekt zij van het woonzorgcentrum. Het Regionaal Indicatieorgaan West-Friesland (RIO) heeft op 28 januari 2003 een indicatie afgegeven inhoudende dat gedaagde in aanmerking komt voor “permanente opname in een verpleeghuis somatiek” (functie verblijf en behandeling). Herindicatie op 30 september 2003 heeft niet tot een ander oordeel geleid. Gedaagde heeft appellant op 7 april 2003 verzocht om haar in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) in aanmerking te brengen voor voorzieningen, in het bijzonder voor een douche/toiletstoel en een rolstoel. Het Regionaal indicatieorgaan West-Friesland heeft op 12 juni 2003 advies uitgebracht. De medisch adviseur A. Olijhoek heeft in zijn rapportage aangegeven dat gedaagde in algemene zin medisch geïndiceerd is voor de gevraagde voorzieningen. Uit overleg met verschillende deskundigen is deze arts echter gebleken dat de in het kader van de AWBZ opgestelde RIO-indicatie van gedaagde leidend moet worden geacht voor de beoordeling van de onderhavige Wvg-aanvraag. Dit betekent dat gedaagde naar zijn mening niet in aanmerking komt voor een voorziening ingevolge de Wvg en dat zij in een intramurale setting dient te gaan wonen. Appellant heeft de aanvraag bij besluit van bij besluit van 20 juni 2003 afgewezen. Appellant heeft het bezwaar van gedaagde tegen dat besluit in zijn besluit van 20 oktober 2003 ongegrond verklaard. Appellant stelt zich op het standpunt dat een gehandicapte voor wie het RIO de indicatie ‘opname in een verpleeghuis’ heeft afgegeven en die bewust niet opgenomen wil worden, in het kader van de Wvg niet in aanmerking komt voor verstrekking van woonvoorzieningen of een rolstoel. Appellant is van mening dat met zulk een indicatie zonder meer gegeven is dat uitsluitend opname leidt tot een verantwoorde situatie, zodat verstrekking van deze voorzieningen mitsdien niet kan worden aangemerkt als verantwoord als bedoeld in artikel 3 van de Wvg. Gelet hierop meent appellant geen zorgplicht te hebben ingevolge de Wvg. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat zij met de nodige huishoudelijke en persoonlijke verzorging, verpleging en ondersteunende begeleiding, uitstekend in staat is om op zichzelf te wonen. De door het RIO gestelde indicatie is naar haar mening (slechts) voorwaarde voor het -desgewenst- tot gelding brengen van een recht op opname in een AWBZ-instelling. Voor de zorgplicht van het gemeentebestuur in het kader van de Wvg is echter niet dit recht, maar de vraag of dit recht feitelijk is geëffectueerd door opname in zulk een instelling doorslaggevend. Gedaagde is van mening dat het gemeentebestuur dient te onderzoeken of zij voldoet aan de ingevolge de Wvg gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor voorzieningen op grond van die wet. Appellant heeft zulk een onderzoek echter niet verricht nu het RIO de indicatie opname in een verpleeghuis heeft geindiceerd en hij meent in dat geval geen zorgplicht te hebben ingevolge de Wvg. Het staat het gemeentebestuur niet vrij om gedaagde de facto te dwingen om opgenomen te worden in een AWBZ-instelling wanneer zij dit niet wil. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het besluit van 20 oktober 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde te nemen en appellant veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Appellant is van deze uitspraak gemotiveerd in hoger beroep gekomen. In hoger beroep heeft het geschil zich toegespitst op de vraag of het gemeentebestuur zich terecht op het standpunt stelt dat het - voorzover het woonvoorzieningen en rolstoelen betreft - geen zorgplicht heeft voor in de gemeente wonende gehandicapten voor wie het in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) bedoelde indicatieorgaan de indicatie opname in een verpleeghuis heeft afgegeven, ook dan wanneer een gehandicapte niet in zulk een instelling is opgenomen en hij ook niet wenst daarin te worden opgenomen doch ervoor kiest zelfstandig in zijn huisvesting, verzorging en verpleging te voorzien. De Raad overweegt als volgt. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg draagt het gemeentebestuur op zorg te dragen voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten. Bij het tweede lid van dit artikel is deze zorgtaak in die zin omgrensd dat die niet geldt voor gehandicapten die verblijven in een instelling die ingevolge artikel 8 van de AWBZ is toegelaten. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, in overeenstemming met de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, op grond van het derde lid van dit artikel van die omgrenzing afwijkende regels stellen en heeft van zijn bevoegdheid gebruik gemaakt door de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen te treffen. In artikel 1, tweede lid, van deze regeling is het gemeentebestuur onder meer de zorg opgedragen voor de verlening van rolstoelen aan gehandicapten die verblijven in een gezinsvervangend tehuis en een regionale instelling voor beschermd wonen. Naar uit het zoëven weergegeven stelsel van wettelijke bepalingen blijkt, draagt het gemeentebestuur zorg voor de verstrekking van voorzieningen aan in die gemeente wonende gehandicapten, tenzij zij verblijven in een AWBZ-instelling en met betrekking tot die categorie geen afwijkende regeling door de Minister is getroffen. Deze door de wetgever gekozen systematiek wijst erop dat sprake is van een algemene op de gemeentebesturen rustende zorgplicht voor de verstrekking van met name genoemde voorzieningen aan gehandicapten en dat die slechts voor een nauw omschreven categorie van gevallen (zij die verblijven in een AWBZ-instelling) niet geldt. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de wetgever die afgrenzing gelet op het bepaalde in artikel 3, derde lid, van de Wvg niet in absolute zin heeft geregeld en de mogelijkheid heeft opengelaten dat de Minister ook voor die categorie een zorgplicht voor een of meer soorten van voorzieningen aan de gemeentebesturen oplegt.