Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2004-01-15
ECLI:NL:CRVB:2004:AO2004
Bestuursrecht
02/6349 AW en 02/6351 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant 1], wonende te [woonplaats], [appellant 2], wonende te [woonplaats], appellanten, en het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap Weert en Omstreken, de Risse, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Appellanten hebben op bij beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 4 november 2002, nrs. AWB 02/286 en 02/496 AW K1, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft verweerschriften ingediend. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 4 december 2003, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. H. Hartman, werkzaam bij AbvaKabo FNV. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Seesing, werkzaam bij de Risse, en door M. Hissel, functiewaarderingsdeskundige. II. MOTIVERING 1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Appellanten zijn werkzaam bij de Risse. Bij besluiten van 19 juli 2001, na bezwaar gehandhaafd bij de bestreden besluiten van 31 januari 2002, heeft gedaagde appellanten benoemd in de functie van Unitmanager assemblage/verpakken (FC 042) onder-scheidenlijk Unitmanager elektro (FC 043). Daarbij heeft gedaagde die functies gewaardeerd met een score van 144 respectievelijk 140 punten en appellanten ingedeeld in de daarmee overeenkomende salarisschaal 10A. 1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten ongegrond verklaard. 2. Appellanten hebben in hoger beroep - opnieuw - aangevoerd dat de adviescommissie die hen in bezwaar heeft gehoord niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was samengesteld en niet onbevooroordeeld was. Daartoe hebben appellanten erop gewezen dat de commissie bestond uit twee oud-bestuursleden en de toenmalige bestuurssecretaris van de Risse. 2.1. Deze grief kan niet slagen. Artikel 7:13 eist, voorzover hier van belang, dat de voorzitter van de adviescommissie geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Als vaststaand moet worden aangenomen dat in het onderhavige geval de voorzitter van de commissie ten tijde van het horen en adviseren geen bestuurslid van de Risse meer was. Voor het oordeel dat de voorzitter onder de verantwoordelijkheid van gedaagde werkzaam was, heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden. Evenmin is er grond om te oordelen dat één of meer leden van de adviescommissie met vooringenomenheid hebben gehandeld. 3. In beroep hebben appellanten tevens naar voren gebracht dat zij ten onrechte niet gelijktijdig met het bestuursorgaan zijn gehoord. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellanten en de vertegenwoordiger van gedaagde buiten elkaars aanwezigheid zijn gehoord, zonder dat daarvoor een grond als bedoeld in artikel 7:6, tweede lid, van de Awb aanwezig was. De rechtbank heeft evenwel met toepassing van artikel 6:22 van de Awb vernietiging van de bestreden besluiten achterwege gelaten. Daartoe heeft zij overwogen dat appellanten ter zitting van de rechtbank hun standpunt alsnog in aanwezigheid van de vertegenwoordiger van gedaagde naar voren hebben kunnen brengen. 3.1. Naar aanleiding van de hiertegen gerichte grief van appellanten overweegt de Raad dat in artikel 7:13, vijfde lid, van de Awb is bepaald dat een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan voor het horen wordt uitgenodigd en in de gelegenheid wordt gesteld een toelichting op het standpunt van het bestuursorgaan te geven. Met deze bepaling en het daaraan mede ten grondslag liggende beginsel van hoor en wederhoor is niet verenigbaar dat de commissie voor het horen van de vertegenwoordiger van gedaagde - zonder een bijzondere rechtvaardigingsgrond - een afzonderlijke hoorzitting heeft belegd, waarvoor appellanten niet zijn uitgenodigd, en dat appellanten niet behoorlijk in de gelegenheid zijn gesteld op het betoog van die vertegenwoordiger te reageren. 3.2. Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat vernietiging om die reden niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb achterwege kan worden gelaten, reeds omdat niet kan worden gezegd dat appellanten door het gebrek niet zijn benadeeld. De Raad acht, integendeel, aannemelijk dat het gescheiden horen van partijen mede heeft bijgedragen tot het hierna te constateren gebrek in de motivering van het bestreden besluit. 4. Inhoudelijk spitst het geschil zich toe op de vraag of gedaagde wat betreft het aspect "zelfstandigheid" de functies van appellanten met 11 punten mocht waarderen. Appellanten menen dat ook zij aanspraak kunnen maken op de score van 14 punten welke is toegekend aan de huns inziens gelijkwaardige functie van Unitmanager metaal/ poedercoating, alsmede aan de functies van enkele andere collega's die tezamen met hen deel uitmaken van het managementteam. Zij vinden het voorts ongerijmd dat hun minder punten zijn toegekend dan aan de hiërarchisch lager geplaatste functie van Projectleider produktiebureau, die in dezelfde hoofdgroep is ingedeeld en voor zelfstandigheid eveneens 14 punten scoort. 4.1. Waar het gaat om besluiten inzake functiewaardering dient de toetsing een terughoudende te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen, moet beperken tot de vraag of de in geding zijnde waardering op onvoldoende gronden berust. Dit laatste betekent dat eerst tot vernietiging van de omstreden waardering kan worden overgegaan indien deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend dat een andere, hogere waardering op zichzelf verdedigbaar is. 4.2. Dat aldus aan het bestuursorgaan bij het waarderen van functies een ruime mate van vrijheid moet worden gelaten, neemt niet weg dat het bestuursorgaan de waardering dient te motiveren. Wordt de waardering in bezwaar met concrete argumenten bestreden, dan moet het bestuursorgaan ook concreet op die argumenten ingaan en zonodig de oorspronkelijk gegeven motivering aanvullen. 4.3. Ingevolge de Regeling Functiewaardering (FUWA) van de Risse wordt de rangorde van alle ambtelijke functies vastgesteld volgens de methode van functiewaardering welke wordt aangeduid als het Systeem Grote Gemeenten. In dit systeem wordt het gezichtspunt zelfstandigheid omschreven als: de mate van vrijheid in overwegen en handelen in verband met bestaande of nieuwe situaties, en wel door de noodzakelijkheid van het kiezen uit mogelijke oplossingen. Deze omschrijving is geconcretiseerd in een graderingstabel, waarin op de verticale as de aard en de frequentie van de zich voordoende problemen zijn aangegeven en op de horizontale as de mate van gebondenheid aan regels en voorschriften. 4.4. Wat betreft de aard en frequentie van de problemen, heeft gedaagde zowel de functies van appellanten als - bijvoorbeeld - die van Unitmanager metaal/poedercoating gerangschikt in de zwaarste categorie, te weten categorie c. Het verschil in het aantal toegekende punten is ontstaan doordat de functies van appellanten op de horizontale as zijn gerangschikt op de grens van de categorieën 1 en 2, terwijl die van Unitmanager metaal/poedercoating volledig in categorie 2 is geplaatst. Gedaagde heeft echter, ook in bezwaar en zelfs in (hoger) beroep, op geen enkele wijze duidelijk gemaakt in welk opzicht en om welke redenen de gebondenheid van appellanten aan regels en voorschriften groter is dan die van de Unitmanager metaal/poedercoating.