Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2003-08-20
ECLI:NL:CRVB:2003:AJ6875
Bestuursrecht
00/6276 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Breukelen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Als gemachtigde van appellante heeft D. Molin te Amsterdam op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de president van de rechtbank Utrecht op 26 september 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd enige stukken ingezonden. II. MOTIVERING De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. Met ingang van 1 september 1992 heeft gedaagde de uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) van appellante beëindigd op de grond dat zij met [partner] (hierna: [partner]) duurzaam een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 5a van de ABW. Bij uitspraak van 14 november 1994, reg.nr. ABW 1994/254, heeft de Raad het oordeel van gedaagde, dat appellante op 1 september 1992 met [partner] duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde, onderschreven. Met ingang van 17 september 1992 is appellante wederom uitkering ingevolge de ABW verleend. Nadat appellante gedaagde had meegedeeld dat [partner] zijn intrek in haar woning zou nemen, heeft gedaagde bij besluit van 2 februari 1996 met toepassing van artikel 3, aanhef en onder a (oud), van de Algemene bijstandswet (Abw) de bijstandsuitkering van appellante met ingang van 8 januari 1996 beëindigd. Bij besluit van 28 mei 1996 heeft gedaagde het tegen het besluit van 2 februari 1996 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Utrecht heeft bij haar uitspraak van 1 oktober 1997 - voorzover van belang - het beroep van appellante tegen het besluit van 28 mei 1996 ongegrond verklaard. Bij zijn uitspraak van 2 mei 2000, reg.nr. 97/9531 ABW, gepubliceerd in onder andere RSV 2000/137, heeft de Raad, met een bepaling omtrent het griffierecht, de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 oktober 1997 vernietigd, het beroep van appellante gegrond verklaard, het besluit van 28 mei 1996 vernietigd en bepaald dat gedaagde met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 februari 1996. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft gedaagde appellante bij brieven van 16 mei 2000, 27 juni 2000 en 3 juli 2000 uitgenodigd voor een gesprek op de afdeling Sociale Zaken en Dienstverlening teneinde haar recht op een bijstandsuitkering per 8 januari 1996 vast te stellen. Daarbij is appellante tevens verzocht een aantal bescheiden mee te nemen. Appellante heeft geen gehoor gegeven aan de uitnodigingen en het verzoek van gedaagde. Wel heeft zij op 28 juni 2000 beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuwe beslissing op haar bezwaar tegen het besluit van 2 februari 1996. Bij besluit van 11 juli 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 2 februari 1996 gegrond verklaard voor wat betreft de grondslag voor de beëindiging van de uitkering. De beëindiging van de uitkering per 8 januari 1996 heeft gedaagde gehandhaafd op de grond dat door de weigering van appellante tot het verstrekken van voldoende inlichtingen haar recht op bijstand per die datum niet kan worden vastgesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank - voorzover van belang - het beroep van appellante tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van appellante tegen het besluit van 11 juli 2000 is ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voorzover daarbij haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuwe beslissing op haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, het door haar betaalde griffierecht niet is vergoed en het beroep tegen het besluit van 11 juli 2000 ongegrond is verklaard. De Raad onderschrijft het oordeel van de president van de rechtbank dat het belang van appellante aan een beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar is komen te ontvallen. Op 11 juli 2000 heeft gedaagde immers opnieuw op het bezwaar van appellante beslist en namens appellante is niet verzocht om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van dat beroep is het niet van betekenis of appellante een verwijt kan worden gemaakt ter zake van de vertraagde nadere besluitvorming door gedaagde. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd. De vervolgens aan de orde komende vraag of gedaagde met zijn besluit van 11 juli 2000 op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad van 2 mei 2000, reg.nr. 97/9531 ABW, beantwoordt de Raad op grond van de volgende overwegingen bevestigend. Met betrekking tot het toepasselijke recht heeft de Raad in die uitspraak reeds geoordeeld dat het recht van appellante op een bijstandsuitkering op en na 8 januari 1996 dient te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Abw zoals die van 1 januari 1996 tot 1 januari 1998 luidden. Naar aanleiding van de inhoud van het beroepschrift in hoger beroep overweegt de Raad in dit verband nog het volgende. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (Iw) blijft de ABW gedurende ten hoogste 12 maanden na de inwerkingtreding van de nieuwe Abw van toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geëindigd. Het tweede lid van dat artikel 4, bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde toepassing van de ABW eindigt: a. zodra burgemeester en wethouders in het betreffende geval naar aanleiding van het onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, een nieuw besluit hebben getroffen; b. zodra een wijziging van omstandigheden van de persoon of het gezin optreedt of is opgetreden die op grond van hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de nieuwe Abw tot toepassing van een andere bijstandsnorm dient te leiden en burgemeester en wethouders in het betreffende geval een nieuw besluit inzake de verlening van algemene bijstand hebben getroffen. Appellante was ten tijde hier van belang een persoon als omschreven in artikel 4, eerste lid, van de Iw. Vaststaat immers dat zij in de peilmaand - december 1995 - en op de peildag - 31 december 1995 - recht had op algemene bijstand ingevolge de ABW. Na de inwerkingtreding van de Abw en de Iw met ingang van 1 januari 1996 heeft appellante gedaagde meegedeeld dat [partner] met ingang van 8 januari 1996 in haar woning zal komen wonen. Die feitelijke wijziging van omstandigheden moest na de uitspraak van de Raad van 2 mei 2000, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, onder b, van de Iw en de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling, in het kader van de Abw worden onderzocht en beoordeeld omdat, indien alsnog vast zou komen te staan dat appellante vanaf 8 januari 1996 met [partner] een gezamenlijke huishouding voerde, dat tot een andere bijstandsnorm zou moeten leiden. Gedaagde heeft bij zijn nadere besluitvorming terecht het door de gemachtigde van appellante genoemde artikel 5, derde lid, van de Iw buiten beschouwing gelaten, omdat na de vernietiging van het besluit van 28 mei 1996 een nieuw besluit op bezwaar op grond van de Abw moest worden genomen. In zijn uitspraak van 2 mei 2000 heeft de Raad voorts onder meer geoordeeld dat buiten kijf is dat appellante en [partner] op 8 januari 1996 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, maar dat overigens geen feiten zijn gesteld of gebleken die het aannemelijk doen zijn dat er ten tijde van belang óók van wederzijdse verzorging sprake was als bedoeld in artikel 3, tweede lid (oud), van de Abw. Teneinde te beoordelen of appellante en [partner] ten tijde van belang ook blijk gaven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins, heeft gedaagde appellante bij zijn brieven van 16 mei 2000, 27 juni 2000 en 3 juli 2000 uitgenodigd voor een gesprek voor het geven van inlichtingen.