Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2002-04-18
ECLI:NL:CRVB:2002:AF0230
Bestuursrecht
00/907 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [A.], wonende te [B.], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 februari 2000, nr. 99/7193 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en nog een nader stuk ingezonden. II. MOTIVERING 1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven feitenoverzicht volstaat de Raad met het volgende. 1.1. Appellant is, na onderhandelingen, bij besluit van 15 juli 1998 per 1 september 1998 op verzoek eervol ontslag verleend uit zijn betrekking bij de gemeente [X.]. In verband hiermee is een aantal afspraken tussen partijen gemaakt - verwoord in onder meer een brief van 20 april 1998 van gedaagdes hoofd P&O die gedaagde voor zijn rekening heeft genomen - waaronder: "De vergoeding van de gemaakte ziektekosten, voor zover deze niet vergoed door het IZA, kunnen worden vergoed voor zover de '1% regeling' dit toestaat (zie artikel 7:12:2 AGZ)." 1.2. Van bedoeld artikel 7:12:2 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente [X.] (AGZ), zoals dat destijds luidde, bepaalde de eerste volzin van het eerste lid, waarop voormelde passage van de brief van 20 april 1998 volgens gedaagde doelde: "Aan de ambtenaar, die een betrekking, bedoeld in artikel 7:12:1, eerste lid, bekleedt, worden vergoed de in enige periode van twaalf opeenvolgende maanden te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van burgemeester en wethouders redelijk gemaakte kosten vallende onder de IZA-regeling, voor zover deze een bedrag gelijk aan 1% van het inkomen overschrijden." (hierna: de 1%-regeling). Het vierde lid van artikel 7:12:2 bepaalde: "Burgemeester en wethouders kunnen omtrent het bepaalde in dit artikel nadere voorschriften vaststellen." Een van die nadere voorschriften (hierna: de 40%-regel) hield in dat de vergoeding op grond van artikel 7:12:2, 40% zou bedragen van de IZA-vergoeding, zij het niet meer dan het verschil tussen het declarabele bedrag en de IZA-vergoeding. Dit is mede vermeld op de achterzijde van het bij een verzoek om toepassing van de 1%-regeling te gebruiken aanvraagformulier. 1.3. Bij brief van 4 juni 1998 heeft appellant, met behulp van bedoeld aanvraagformulier en onder verwijzing naar voormelde brief van 20 april 1998, twee aanvragen ingediend om toepassing van de 1%-regeling. Deze aanvragen betroffen declaraties over de perioden van 1 maart 1996 tot en met 28 februari 1997 en van 1 maart 1997 tot en met 28 februari 1998. Daartoe behoorden mede declaraties ten bedrage van in totaal ¦ 6.791,25 (€ 3.081,73) met betrekking tot door twee therapeuten toegepaste psychotherapie. 1.4. Bij primair besluit van 22 januari 1999, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 1 juli 1999, heeft gedaagde er op gewezen dat de 1%-regeling geen aanspraak gaf op vergoeding van de declaraties inzake de psychotherapie nu ze naar het oordeel van het IZA niet voor vergoeding op grond van de IZA-regeling in aanmerking kwamen. Gedaagde besloot desalniettemin in het onderhavige geval de 1%-regeling eenmalig en bij wijze van uitzondering op bedoelde declaraties van toepassing te verklaren en 40% van de in die declaraties in rekening gebrachte bedragen voor vergoeding in aanmerking te nemen. Daarbij ging gedaagde uit van de fictie dat het IZA deze declaraties voor 60% had vergoed. Gedaagde beoogde aldus zo veel mogelijk bij de 1%-regeling en zijn 40%-regel aan te sluiten. 1.5. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep dat appellant tegen het bestreden besluit had ingesteld, ongegrond verklaard. 2. De Raad overweegt dat het kernpunt van geschil steeds is geweest en ook in hoger beroep is, of gedaagde er mee heeft mogen volstaan om de declaraties wegens psychotherapie ad ¦ 6.791,25 (€ 3.081,73) voor 40% in aanmerking te nemen. De vergoeding van de overige declaraties (arts, tandarts, chiropractor, enz.) noch de (omvang van de) aftrek van 1% van appellants ambtelijk inkomen zijn in geding. 2.1. Appellant betoogt dat gedaagde gelet op de (strekking van de) in de brief van 20 april 1998 verwoorde afspraak, het bedrag van ¦ 6.791,25 (€ 3.081,73) voor 100% voor vergoeding in aanmerking had moeten nemen. Hij stelt dat hij daarop ook heeft mogen afgaan toen hij ermee instemde om om ontslag te verzoeken, en dat gedaagdes 40%-regel en de mededeling dienaangaande op het aanvraagformulier hieraan niet konden afdoen. 2.2. Gedaagde betwist dit. Hij betoogt, onder meer in zijn verweerschrift in hoger beroep, dat appellant er bij onderhandelingen over zijn ontslag in een gesprek van 25 maart 1998 bij zijn directeur op had aangedrongen dat gedaagde de therapiekosten volledig zou vergoeden, maar dat de directeur weigerde die wens ten volle in te willigen. De directeur had, zo vervolgt gedaagde, appellants wens ten volle van de hand kunnen wijzen nu de therapiekosten op grond van de 1%-regeling in het geheel niet voor vergoeding in aanmerking kwamen omdat ze door het IZA niet vergoed zouden worden. Maar de directeur heeft zich in de onderhandelingssituatie - waarvan sprake was - ruimhartig willen opstellen, hetgeen heeft geleid tot het in de brief van 20 april 1998 neergelegde compromis dat de therapiekosten overeenkomstig de 1%-regeling zouden worden vergoed. Gedaagde stelt dat daaraan blijkens die brief duidelijk de restrictie is verbonden dat de berekeningswijze van de 1%-regeling gevolgd zou worden. 2.3. De Raad kan gedaagde niet volgen. 2.3.1. Nu de therapiekosten, waar het appellant om ging, niet door het IZA zouden worden vergoed konden die kosten evenmin op grond van artikel 7:12:2, eerste lid, van de AGZ, worden vergoed. Zoals ter zitting namens gedaagde is bevestigd, was dit partijen ten tijde van de aan die brief voorafgaande onderhandelingen bekend. Gedaagde heeft op voormelde beperking van artikel 7:12:2, eerste lid, van de AGZ, evenwel een gunstige uitzondering willen maken. Daarom is in de brief van 20 april 1998 de passage opgenomen, dat niet door het IZA vergoede kosten - toch - zouden worden vergoed voorzover "de 1%-regeling dit toestaat." 2.3.2. De term "toestaat" biedt naar het oordeel van de Raad weinig duidelijkheid, alleen al omdat de 1%-regeling vergoeding van niet door het IZA-vergoede kosten nu juist niet toestond, terwijl gedaagde dergelijke kosten - bij uitzondering - wel wilde vergoeden. 2.3.3. Onmiskenbaar is dat gedaagde met de term "toestaat" ten minste heeft bedoeld dat bij het berekenen van de vergoeding aftrek van 1% van appellants ambtelijk jaarinkomen zou plaatsvinden. 2.3.4. Dat gedaagde met de term "toestaat" of met andere onderdelen van de in geding zijnde passage van de brief van 20 april 1998 tevens zou hebben bedoeld dat hij slechts 40% van het bedrag van de declaraties zou vergoeden, vermag de Raad niet in te zien. Immers de 40%-regel hield in dat gedaagde (ten hoogste) 40% van wél door het IZA vergoede kosten vergoedde. Nu de in geding zijnde declaraties juist niet door het IZA werden vergoed - hetgeen gedaagde bij het opstellen van de brief van 20 april 1998 bekend was -, was de 40%-regel niet van toepassing en was vergoeding ter hoogte van een bepaald percentage van de IZA-vergoeding ook niet denkbaar. 2.3.5. Dit brengt mee dat gedaagde, indien hij aan de toezegging in de brief van 20 april 1998 een verdere restrictie had willen verbinden dan alleen voormelde 1%-aftrek - bijvoorbeeld de restrictie dat ten hoogste 40% van de gedeclareerde bedragen zou worden vergoed - dit uitdrukkelijk en duidelijk had dienen te doen. Nu gedaagde dit heeft nagelaten, was een dergelijke restrictie niet aan de toezegging verbonden en had appellant op grond van die toezegging mitsdien aanspraak op volledige vergoeding van de in geding zijnde kosten, onder aftrek van 1% van appellants ambtelijk inkomen. 3. Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven, zodat appellants overige grieven geen bespreking behoeven. Gedaagde dient met inachtneming van de overwegingen van 's Raads uitspraak opnieuw op appellants bezwaar te beslissen. 4. De wettelijke rente die appellant over de te verrichten nabetaling heeft gevorderd, komt voor toewijzing in aanmerking. Gedaagde dient in het nieuw te nemen besluit op bezwaar ook het bedrag van die rente vast te stellen.