Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2000-06-20
ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8878
98/5545 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: A en B, beiden wonende te C, appellanten, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellanten heeft mr Ph. van Zinnicq Bergmann, advocaat te Eindhoven, op bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op 29 mei 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Bij brief van 11 januari 2000 is namens gedaagde een nader stuk ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 9 mei 2000, waar appellanten zijn verschenen bij hun gemachtigde mr Zinnicq Bergmann, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs R.A.J. Wilbers, werkzaam bij gedaagdes gemeente. II. MOTIVERING Appellant A is op 20 juni 1996 op staande voet ontslagen bij X B.V. te Y, wegens ongeoorloofde afwezigheid van zijn werk. Hij is door het bestuur van de voormalige bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Electrotechnische industrie terzake van dit ontslag bij besluit van 18 juli 1996 met ingang van 20 juni 1996 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), waarbij een sanctie is toegepast van 30% gedurende 21 weken. Dit sanctiebesluit is rechtens onaantastbaar geworden. Omdat appellanten als gevolg van genoemde sanctie een inkomen ontvingen dat f 564,92 per maand minder was dan de voor hen als echtpaar geldende bijstandsnorm hebben zij op 26 juli 1996 gedaagde verzocht om een aanvullende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Namens gedaagde is op dit verzoek afwijzend beslist bij besluit van 16 augustus 1996, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 27 november 1996. De rechtbank heeft het namens appellanten tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat gedaagde zich op het standpunt stelt dat in beginsel dient te worden aangesloten bij een in het kader van de WW opgelegde sanctie en dat in het algemeen voor aanvullende bijstandsverlening geen plaats is. Dit leidt slechts uitzondering indien - zoals is neergelegd in de door de Dienst Algemeen Welzijn gehanteerde richtlijnen - 'het inkomen als gevolg van de sanctie van de bedrijfsvereniging onredelijk veel lager is dan de betreffende bijstandsnorm minus de sanctie welke door de Dienst AW zou zijn opgelegd'. Gedaagde acht deze uitzondering niet van toepassing. Evenals gedaagde heeft de rechtbank geoordeeld dat het in het licht van artikel 17, eerste lid, van de Abw, respectievelijk artikel 14, eerste lid, van de Abw, onwenselijk dient te worden geacht dat door middel van toekenning van bijstand een aan de Abw voorliggende voorziening (de WW) wordt doorkruist dan wel dat een aan de belanghebbende te wijten tekort aan financiële middelen op die wijze geheel of ten dele zou worden gecompenseerd. De Raad acht dat uitgangspunt niet juist en overweegt terzake het volgende. Ingevolge het bepaalde in artikel 7 van de Abw heeft iedere Nederlander, die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen recht op bijstand voorzover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. De aan appellant toegekende uitkering ingevolge de WW is slechts als een voorliggende voorziening voor appellanten aan te merken voor zover hij daadwerkelijk voor zodanige uitkering in aanmerking is gebracht. Nu appellant als gevolg van de opgelegde sanctie gedurende 21 weken geen volledige aanspraak op uitkering aan die wet kan ontlenen, kan de WW in zoverre niet als voorlig