Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-12-31
ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8661
97/2556 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B, appellant, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 12 april 1995 heeft gedaagde: -onder toepassing van artikel 33 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en van artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), zoals deze artikelen voorafgaande aan 1 augustus 1993 luidden, kortingen toegepast op appellants uitkeringen ingevolge die wetten, aldus dat die uitkeringen over het tijdvak van 10 maart 1988 tot 1 januari 1989 werden uitbetaald naar een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, en over het tijdvak van 1 januari 1989 tot 1 januari 1991 niet langer werden uitbetaald; -de uitkeringen van appellant, welke op dat moment waren vastgesteld naar een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, ingaande 1 januari 1991 ingetrokken, op de grond dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid ingaande die datum was afgenomen naar minder dan 15%; -onder toepassing van primair artikel 48, eerste lid, aanhef en onder a (oud), van de AAW en van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder a (oud), van de WAO, een bedrag van f 91.599,51 van appellant teruggevorderd, ter zake van aan appellant over het tijdvak van 1 augustus 1988 tot 1 augustus 1993 onverschuldigd betaalde uitkeringen ingevolge die wetten, en subsidiair onder toepassing van de b-grond van genoemde bepalingen van appellant teruggevorderd hetgeen hem onverschuldigd was betaald over het tijdvak van 1 augustus 1991 tot 1 augustus 1993. De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 29 januari 1997 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Namens appellant heeft J.A. Bode, werkzaam bij het accountantskantoor Bode v/h Den Boon te Oudewater, op bij beroepschrift van 14 maart 1997 -met bijlagen- aangevoerde gronden, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft bij schrijven van 22 mei 1997 -met bijlagen- van verweer gediend, op welk schrijven van de zijde van appellant is gereageerd bij brief van 26 juni 1997 met bijlage. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 19 november 1999, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak vermelde feiten en omstandigheden. Van de zijde van appellant is zowel in beroep als in hoger beroep vooral bezwaar gemaakt tegen het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende standpunt van gedaagde dat de door appellant in het kader van de drie besloten vennootschappen (BV-en) vanaf 1987 ontplooide activiteiten beschouwd dienen te worden als inkomensvormende werkzaamheden, en tegen het aan dat standpunt door gedaagde verbonden gevolg dat aan appellant voor die werkzaamheden inkomsten dienen te worden toegerekend ter grootte van de in die BV-en gerealiseerde netto-winst (onder aftrek van de zogeheten AAA-premies). De Raad heeft evenwel, evenals als de rechtbank, in hetgeen namens appellant dienaangaande naar voren is gebracht geen aanknopingspunten gevonden om het hiervoor weergegeven standpunt van gedaagde voor onjuist te houden. De Raad merkt hierbij allereerst op dat hetgeen appellant in de onderhavige procedure heeft doen aanvoeren in beduidende mate afwijkt van hetgeen hij eerder tegenover een opsporingsfunctionaris van gedaagde heeft verklaard, zoals neergelegd in het opsporingsrapport van