Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-06-24
ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8367
CENTRALE RAAD VAN BEROEP 99/1792 MAW-VV 99/1789 MAW U I T S P R A A K van DE PRESIDENT VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen: A., wonende te B., verzoeker, en de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde. I. INLEIDING Bij besluit van 15 februari 1999 heeft gedaagde afwijzend beslist op het door verzoeker gemaakte bezwaar tegen het besluit van gedaagde van 17 december 1998, waarbij de aanvraag van verzoeker om ontslag uit de dienst is afgewezen. Bij zijn onder de nummers 9901007 en 9901010 gegeven uitspraak van 1 maart 1999 heeft de president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage het beroep van verzoeker tegen het besluit van 15 februari 1999 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Tevens heeft hij verzocht een voorlopige voorziening te treffen die strekt tot opschorting van de werking van de aangevallen uitspraak en tot bepaling dat hij wordt behandeld als ware hem ontslag op aanvraag verleend. Het geding is behandeld ter zitting van 4 juni 1999, waar namens verzoeker is verschenen mr N.I. van Os, werkzaam bij de VBM/NOV te Den Haag. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr W.B. Kroon, werkzaam bij het Ministerie van Defensie. II. MOTIVERING Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet (Berw) in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de President van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het bepaalde in artikel 21 van de Berw in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de President van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting waarin het verzoek is behandeld nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Naar het oordeel van de President bestaat in het voorliggende geval, waarin van de Raad niet (mede) een beslissing wordt gevraagd over een partijen verdeeld houdend principieel verschil van inzicht omtrent de interpretatie van (wettelijke) voorschriften of daarover gewezen rechterlijke uitspraken, aanleiding artikel 8:86 van de Awb toe te passen. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak, de overige gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de President uit van de volgende hier van belang zijnde feiten. Verzoeker, destijds kapitein der militaire administratie, is bij beschikking van 13 maart 1995 op zijn verzoek aangewezen om met ingang van 1 september 1995 op rijkskosten de studie ter verkrijging van het volledig accountantsdiploma te volgen. In april 1998 heeft hij deze studie afgerond, waarna hij in juni 1998 in de functie van controleleider, in de rang van majoor, is geplaatst bij de Defensieaccountantsdienst. Hij heeft op 30 november 1998 een aanvraag ingediend om ontslag met ingang van 1 maart 1999. Bij besluit van 17 december 1998 is deze aanvraag afgewezen omdat op verzoeker, naar gedaagdes oordeel, nog een dienverplichting rust. Deze afwijzing is gehandhaafd bij het door verzoeker bestreden besluit van 15 februari 1999. Bij de onder I vermelde uitspraak is het door verzoeker tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar aanleiding van het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep overweegt de President het volgende. Het bestreden besluit berust op de overweging dat op verzoeker nog de verplichting rust om deel uit te maken van het beroepspersoneel en dat er bij de Defensieaccountantsdienst een tekort is aan accountants. De dienverplichting vindt haar basis in het bepaalde in artikel 14 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), in verbinding met artikel 6 van de Regeling opleidingen m