Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-04-29
ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8270
97/9823 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: drs A te B, appellante, en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de President van Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 1 september 1997 onder de nummers AWB 97/6453 en AWB 97/6454 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 maart 1999, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr P.S. Jonker, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door P. Reyman en drs E. van Schie, beiden werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. II. MOTIVERING De Raad verwijst voor een meer uitvoerige weergave van de relevante feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met de navolgende samenvatting. Appellante is met ingang van 17 februari 1997 tot uiterlijk 1 januari 1998 in tijdelijke dienst van gedaagde aangesteld met toepassing van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder e, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR): het verrichten van werkzaamheden met een kennelijk tijdelijk karakter. De werkzaamheden bestonden in hoofdzaak uit het schrijven van een notitie over het zogenaamde doelgroepenbeleid. Op 13 maart en 1 april 1997 heeft het betrokken afdelingshoofd drs C (hierna: C) met appellante gesproken. Van die gesprekken is geen verslag opgemaakt en partijen verschillen van mening over de inhoud daarvan en over al dan niet gemaakte afspraken. Partijen zijn het er wel over eens dat appellante in het gesprek van 1 april 1997 heeft toegezegd om in een vervolggesprek op 15 april 1997 een alsdan gereed zijnd plan van aanpak met tijdsplanning te bespreken. Op 14 april 1997 heeft appellante per mailbericht aan C laten weten dat zij op enkele punten was vastgelopen en heeft zij de suggestie gedaan een begeleidingsgroep in te stellen. Op 15 april 1997 heeft C appellante aangezegd dat ze met onmiddellijke ingang uit haar functie wordt ontheven en dat haar met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, per 1 juni ontslag zal worden verleend. Op 17 april 1997 is het ontslagbesluit aan haar toegezonden. Dit besluit is, na gemaakt bezwaar, bij het thans in geding zijnde besluit op bezwaar van 16 juni 1997 gehandhaafd. De president van de rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Hij heeft weliswaar kritische opmerkingen gemaakt onder meer over het nalaten van schriftelijke verslaglegging van de gevoerde gesprekken, maar heeft niettemin geoordeeld dat gedaagde zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante niet aan in redelijkheid te stellen eisen en/of verwachtingen heeft voldaan. Dat appellante onvoldoende zou zijn begeleid en dat er geen behoorlijke taakomschrijving zou zijn geweest heeft de rechtbankpresident niet steekhoudend geacht. Appellante heeft in hoger beroep in hoofdzaak aangevoerd dat er bij de ontslagverlening zodanig grove procedurefouten zijn gemaakt - met name schending van het beginsel van hoor en wederhoor - dat deze in een bezwarenprocedure niet meer hersteld konden worden. Volgens appellante berust het ontslag voorts op een onvoldoende feitelijke grondslag en zijn haar belangen volledig miskend. Zij heeft vernietiging van het ontslagbesluit gevorderd alsmede vergoeding van de als gevolg van het onrechtmatige ontslag geleden schade. De Raad overweegt het volgende. Appellante was aangesteld in tijdelijke dienst in verband met het verichten van werk met een kennelijk tijdelijk karakter. Artikel 95, tweede lid, van het ARAR bepaalt dat in een dergelijk geval ontslagverlening mogelijk is, mits een opzegtermijn in acht wordt genomen. Naar vaste jurisprudentie kan een ontslag op grond van dat artikel worden verleend op elke redelijke grond. De Raad onderschri