Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-06-01
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8801
96/10392 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, appellant, en A te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Maastricht onder dagtekening 22 oktober 1996 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft mr R.H.A. Wessel, advocaat te 's-Gravenhage, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 april 1999, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr C. van den Berg, werkzaam bij USZO Diensten BV, terwijl gedaagde is verschenen bij zijn gemachtigde mr Wessel, voornoemd. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (hierna: BWOO) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Gedaagde is ingaande 22 augustus 1994 voor bepaalde tijd, uiterlijk tot en met 31 juli 1995, benoemd als leraar aan het college X te Y voor 6 lesuren per week. Gedurende de periode 10 oktober 1994 tot 31 oktober 1994 is deze betrekking uitgebreid met 22 lesuren per week en gedurende de periode 31 oktober 1994 tot 1 februari 1995 met 16 lesuren per week. Daarnaast is gedaagde met ingang van 10 maart 1995 voor bepaalde tijd, uiterlijk tot 1 juli 1995, als leraar benoemd aan het Q te Z voor 14 lesuren per week. De tijdelijke aanstelling aan het Sint Janscollege heeft tot 1 augustus 1995 voortgeduurd, aansluitend heeft gedaagde aldaar een aanstelling voor 12 lesuren per week gekregen. In verband met het beëindigen van zijn werkzaamheden aan het Eijkhagencollege op 1 juli 1995 heeft gedaagde appellant op 22 juni 1995 verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van het BWOO. Deze aanvraag is bij besluit van 21 augustus 1995, welk besluit bij het bestreden besluit van 13 november 1995 is gehandhaafd, afgewezen, omdat gedaagde niet voldoet aan de in artikel 4, eerste lid, van het BWOO opgenomen referte-eis. Hierbij is overwogen dat gedaagde bij het Q niet in tenminste 26 weken arbeid heeft verricht en dat gewerkte weken aan het X niet mede in aanmerking kunnen worden genomen, omdat niet wordt voldaan aan de in het derde lid van artikel 4 neergelegde voorwaarde dat de betrekking aan het Q in de plaats is gekomen van die aan het X. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. In de aangevallen uitspraak, waarin gedaagde als eiser is aangeduid, heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen. "Uit het overzicht van eisers lesuren in het schooljaar 1994/1995 als weergegeven hierboven valt af te leiden dat eiser, naast zijn oorspronkelijke aanstelling van 6 lesuren aan het X, heeft gewerkt in drie elkaar opvolgende uitbreidingen van respectievelijk 22, 16 en 14 lesuren. De uitbreiding werd telkens gebaseerd op een tijdelijke aanstelling voor het aantal extra uren en had voor wat betreft de extra uren, betrekking op een afgerond lespakket (het pakket van een andere leraar). De extra lesuren zijn gegeven over een periode van in totaal 34 weken en voor de extra lesuren, die eiser op 1 juli 1995 verloor, voldoet hij derhalve aan de referte eis zoals geformuleerd in artikel 4 lid 1 van de BWOO. Uitsluitend het gegeven dat de laatste uitbreiding van 14 lesuren plaatsvond aan een andere school dan de uitbreidingen daarvoor is onvoldoende aanleiding om niet te spreken van betrekkingen die voor elkaar in de plaats zijn gekomen. De rechtbank heeft voor dat oordeel mede in aanmerking genomen de bijzondere omstandigheden die eigen zijn aan het arbeidspatroon in het onderwijs. Eiser is voor het eerst gaan werken met ingang van het schooljaar 1994/1995. Hij is gelijkelijk bevoegd om onderwijs te geven in de franse taal en in geschiedenis. Hij heeft sedert