Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-05-12
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8784
96/10919 ABP U I T S P R A A K in het geding tussen: A te B, appellant, het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP als rechtsopvolger van het bestuur van het voormalige Algemeen burgerlijk pensioenfonds, gedaagde, en C te D, derde partij. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden heeft mr M.J. Hamer, advocaat te 's-Gravenhage, als voormalige gemachtigde van appellant hoger beroep ingesteld tegen de op 18 oktober 1996 door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage onder nummer 95/10532 ABP gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Mr I. Brand, advocaat te 's-Gravenhage, heeft bij brief d.d. 16 januari 1997 aan de Raad het standpunt van derde partij uiteengezet en voorts verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Appellant heeft bij brief d.d. 9 juli 1997 (met bijlage) het hoger beroep nader toegelicht. Bij brief d.d. 11 juli 1997 heeft mr I. Brand voornoemd aan de Raad een afschrift toegezonden van een beschikking van de Tweede Enkelvoudige Kamer voor burgerlijke zaken van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage d.d. 27 mei 1997, gegeven in een tussen appellant en derde partij gerezen geschil. Het geding is behandeld ter zitting op 1 april 1999. Aldaar is appellant in persoon verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr M.J.W.A. Beulen-Darmstadt, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP. Voor derde partij is verschenen mr J. de Bie Leuveling Tjeenk, advocaat te 's-Gravenhage. II. MOTIVERING De Raad stelt in de eerste plaats vast dat ten gronde in geding is de toepassing van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) met betrekking tot een pensioen ingevolge de (inmiddels ingetrokken) Algemene burgerlijke pensioenwet (hierna te noemen: de Wet). Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat de rechtbank zich terecht en op goede gronden absoluut en relatief bevoegd heeft geacht van het beroep van appellant kennis te nemen. De door de rechtbank in aanmerking genomen gronden dienen ook als motivering van 's Raads inzicht dat hij bevoegd is om in hoger beroep van de gedingen kennis te nemen. De Raad wijst in dit verband nog op de wetshistorie van de Wet VPS, waarvan in het bijzonder de Kamerstukken II, 1990-1991, 21 893 nr. 13, p. 16 onder 5, en de Kamerstukkken II, 1991-1992, 21 893 nr 5, p. 26 onder IV. De Raad gaat ten behoeve van zijn oordeelsvorming uit van de feiten die de rechtbank in rubriek 3 van de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen, welke feiten in hoger beroep niet in geschil zijn. Kern van deze feiten is, dat de rechtsvoorganger van gedaagde met betrekking tot het aan appellant ingevolge de Wet toegekende ouderdomspensioen ten gunste van derde partij toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS en dat appellant zich daarmee niet kan verenigen. De Raad overweegt het volgende. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS is deze wet van overeenkomstige toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden vóór 27 november 1981, mits het huwelijk ten minste 18 jaren heeft geduurd en er tijdens het huwelijk minderjarige kinderen waren, en met dien verstande dat het deel, bedoeld in artikel 2, tweede lid, slechts één vierde bedraagt van het pensioen dat ingevolge artikel 3, eerste en tweede lid, zou moeten worden uitbetaald, en dat er geen recht op pensioenverevening is voor zover reeds aantoonbaar rekening is gehouden met de omstandigheid dat de tot verevening gerechtigde echtgenoot geen of onvoldoende pensioen had opgebouwd. Ook in geval van een geschil hieromtrent tussen de echtgenoten is het uitvoeringsorgaan gehouden tot uitbetaling ingevolge artikel 2, derde lid, zolang de rechter niet op verzoek van één der echtgenoten anders beslist. Artikel 12, tweede lid, van de Wet VPS is het resultaat van een gewijzigd amendement van de leden Kalsbeek- Jasperse en Soutendijk-van Appeldoorn (Kamerstuk