Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-03-02
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8683
97/3984 ABW U I T S P R A A K in het geding tussen: A te B, appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is mr A. Balkema, advocaat te Utrecht, op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de president van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 13 maart 1997 met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 4 juni 1997 heeft mr Balkema, voornoemd, nog een nader stuk toegezonden. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft gedaagde nog nadere stukken toegezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 januari 1999, waar voor appellant is verschenen mr Balkema, voornoemd, terwijl gedaagde -daartoe ambtshalve opgeroepen- zich heeft doen vertegenwoordigen door mr C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht. II. MOTIVERING Op 20 september 1996 heeft appellant een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Hij heeft bij die gelegenheid aangegeven dat hij met zijn echtgenote inwoont bij zijn moeder. Bij besluit van 10 december 1996 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 20 september 1996 een bijstandsuitkering toegekend zulks naar de norm voor gehuwden van 21 jaar en ouder en, voorzover hier van belang, onder toepassing van een verlaging van 20%. Gedaagde heeft hierbij overwogen dat er een korting van f 390,72 plaatsvindt omdat appellant zijn noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met een ander. Namens appellant heeft mr Balkema, meergenoemd, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Aangevoerd is dat de huur van de woning ongeveer f 650,-- bedraagt waarvan appellant de helft betaalt; hij verzoekt dan ook om een toeslag op de verleende uitkering. Bij besluit van 20 februari 1997 heeft gedaagde deze bezwaren ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daartoe, voorzover hier van belang, het volgende overwogen: "Zoals hierboven reeds gememoreerd, is de aanvraag voor een periodieke bijstandsuitkering van uw cliënt met ingang van 20 september 1996 toegewezen, echter onder aftrek van f. 390,72 per maand, omdat uw cliënt de noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander kan delen. Deze verlaging is gebaseerd op artikel 34 van de Algemene bijstandswet (nAbw). Dit artikel geeft ons de bevoegdheid de bijstandsnorm te verlagen voor zover belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft tengevolge van het kunnen delen van deze kosten met een ander. Vast staat, dat uw cliënt zijn algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met een ander, te weten zijn moeder. Met haar deelt hij de kosten van de huur en die van gas, licht en water en dergelijke, zoals u overigens zelf in uw verzoekschrift voor een voorlopige voorziening hebt aangegeven. Wij zijn dan ook van oordeel dat de bijstandsuitkering van uw cliënt op grond van artikel 34 van de nAbw dient te worden verlaagd. Voor het bedrag van de verlaging hebben wij aansluiting gezocht bij hetgeen in de "Verordening toeslagen en verlagingen Algemene bijstandswet" is bepaald met betrekking tot in onze ogen vergelijkbare gevallen: - alleenstaanden van 21 jaar en ouder, die als onderhuurder of kostganger inwonen bij hun ouders komen niet in aanmerking voor de toeslag van 20% van de gehuwdennorm (artikel 2, lid 2); - de bijstandsnorm voor gehuwden, die als verhuurder of kostgever woonkosten delen met hun ouders, wordt verlaagd met 20% van de gehuwdennorm (artikel 3, lid 1, onder a. jo. lid 2).". Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank, voorzover hier relevant, het tegen het besluit van 20 februari 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De president heeft daartoe het volgende overwogen (waarbij appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid): "Verweerder heeft met toepassing van artikel 3, De Raad neemt aan dat deze doelstelling eveneens van toepassing is op het beleid waar dit betrekking heeft op de verlagingen als bedoeld in artikel 34 van de Abw. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat, gelet op het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 van de Verordening, in de thans aan de orde zijnde situatie van appellant geen sprake is van een commerciële relatie. Voorts wordt niet gesteld dat zich hier de situatie voordoet van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, te weten van "gehuwden die geen woonkosten hebben". Verder staat vast dat appellant niet kan worden aangemerkt als verhuurder of kostgever. In aanmerking genomen de tekst van het eerste lid, aanhef en onder a, van genoemde bepaling is de hierin, duidelijk, beschreven situatie in het geval van appellant en zijn echtgenote dan ook niet aan de orde. Ter zitting heeft gedaagde aangegeven dat, gelet op de toelichting op de Verordening, het niet de bedoeling is om een onderscheid te maken tussen gehuwden die de hoedanigheid hebben van verhuurder/kostgever en gehuwden die als huurder of kostganger kunnen worden beschouwd. De Raad kan dit evenwel niet uit de toelichting afleiden, nog daargelaten of, indien zulks wel het geval zou zijn geweest, een en ander van belang is nu de tekst zelf van artikel 3 van de Verordening op dit punt niet onduidelijk is. De president van de rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak voor zijn oordeel dat in bovengenoemde hoedanigheden geen onderscheid moet worden gemaakt, verwezen naar punt 3.5 van de toelichting op de Verordening. Naar het oordeel van de Raad wordt met deze verwijzing evenwel miskend dat hetgeen hier is vermeld slechts een algemene weergave is van de door de gemeente Utrecht met betrekking tot onder meer artikel 34 van de Abw te maken keuzen, doch dat dit niet kan worden beschouwd als een toelichting op het eerste lid van artikel 3 van de Verordening dan wel op enig andere bepaling van deze Verordening. De Raad wijst er ook nog op dat gedaagde in het bestreden besluit overweegt dat "voor het bedrag van de verlaging aansluiting (is) gezocht bij hetgeen in de "Verordening..." is bepaald met betrekking tot in onze ogen vergelijkbare gevallen." Ook hieruit kan naar het oordeel van de Raad worden afgeleid dat van een rechtstreekse herleiding van de situatie van appellant, dan wel van het in zijn geval door gedaagde gehanteerde verlagingspercentage naar de Verordening geen sprake is. Uit het vorenstaande vloeit voort dat niet alleen de Verordening niet beantwoordt aan de doelstelling van het bieden van overzicht en duidelijkheid voor "cliënten"; maar dat ook moet worden vastgesteld dat artikel 3 van de Verordening geen grondslag biedt voor het toepassen van een verlaging van 20% op de aan appellant toegekende uitkering. Ook anderszins biedt de Verordening geen basis voor de in geding zijnde verlaging. Het bestreden besluit, voorzover hierbij is besloten tot een verlaging van 20%, komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire besluit van 10 december 1996 te vernietigen. Ten overvloede overweegt de Raad nog het volgende. Blijkens het standpunt van gedaagde, zoals ter zitting toegelicht, dient in geval gehuwden inwonen bij hun ouder(s) op de uitkering een verlaging van 20% te worden toegepast. Achtergrond hierbij is dat in een dergelijke situatie, naar de opvatting van gedaagde, de woonkosten geheel met een ander kunnen worden gedeeld. Overigens merkt de Raad op, dat noch in de Verordening noch in de hierbij behorende toelichting het begrip "woonkosten" nader is omschreven. Overigens is in artikel 34 als ook in artikel 33 van de Abw sprake van "algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan". Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw, waarbij de Raad in het bijzonder ziet op de uitkeringssystematiek zoals deze in de Abw is neergelegd, heeft de wetgever met zoveel woorden aangegeven dat de bijstand op e