Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-01-21
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8682
97/4384 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, appellant, en A te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 16 april 1997 onder nr. AWB 95/9856 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 10 december 1998. Appellant heeft zich daar, zoals tevoren aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr A. Olthof, werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond. II. MOTIVERING Gedaagde, destijds werkzaam op een gemeentelijke school voor zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK), is in september 1993 vier dagen in verzekering gesteld en in totaal zes weken geschorst omdat hij een leerling zou hebben verkracht en een andere leerling sexueel zou hebben misbruikt. Nadat uit op verzoek van gedaagde ingesteld DNA-onderzoek was gebleken dat de gestelde verkrachting niet door hem kon zijn gepleegd, is hem van de zijde van het Openbaar Ministerie meegedeeld dat hij ten onrechte als verdachte was aangemerkt en is de strafrechtelijke vervolging gestaakt en de schorsing beëindigd. Gedaagde heeft zich vanaf 18 oktober 1993 ziek gemeld en zich nadien onder psychiatrische behandeling moeten stellen. Bij brief van 20 oktober 1993 heeft gedaagde het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag - het bevoegd gezag - (hierna: het College) verzocht toepassing te geven aan artikel I-E5 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo). Bij brief van 11 november 1993 heeft het College de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de Minister) verzocht met toepassing van artikel I-E5 Rpbo een besluit te nemen. Bij brief van 1 september 1995 heeft appellant het College meegedeeld te hebben besloten geen toepassing aan artikel I-E5 te geven, met verzoek gedaagde afschrift te verstrekken en onder mededeling dat een belanghebbende tegen die beschikking beroep bij de rechtbank kon instellen. De rechtbank heeft gedaagdes beroep tegen dat besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht. Naar aanleiding van het hoger beroep overweegt de Raad als volgt. Ingevolge artikel I-E5, eerste lid, van het Rpbo heeft gedaagde, indien zijn ziekte naar het oordeel van de Minister in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan gedaagde opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze werkzaamheden moesten worden verricht en de ziekte niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten, aanspraak op voortzetting van zijn volledige bezoldiging na afloop van de in artikel I-E3, eerste lid, van het Rpbo bedoelde periode. De Raad overweegt ambtshalve dat appellant ten onrechte van het standpunt is uitgegaan dat tegen het bestreden besluit geen bezwaar openstond. Appellant beroept zich op artikel 2 van hoofdstuk XIV van de wet van 4 juni 1992 (Stb. 422) (Aanpassingswet Awb I), waarbij bepaald is dat afdeling 7.1 van de Awb tot 1 januari 1996 (later verlengd tot 1 januari 1997) geen toepassing vindt ten aanzien van besluiten van de Minister genomen op grond van onder meer de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO) voor zover - kort gezegd - tegen die besluiten beroep op de Kroon openstond. Desgevraagd is namens appellant aan de rechtbank bericht, dat het bestreden besluit op het bekostigingsartikel 59 van de ISOVSO is gebaseerd. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Het door gedaagde bestreden besluit betreft blijkens zijn uitdrukkelijke bewoordingen de toepassing jegens gedaagde van artikel I-E5 van het Rpbo. De Raad ziet geen aanknopingspunt voor appellants stelling dat het bestreden besluit desalniettemin - jegens gedaagde - (mede) op grond van a