Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-06-29
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8616
97/10183 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en A te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (NAB). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een onder dagtekening 13 augustus 1997 door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam gewezen uitspraak, welke betrekking heeft op een geschil tussen partijen inzake de uitvoering van de Werkloosheidswet (hierna: WW). Namens gedaagde heeft mr P.H.E. Voûte, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift, met bijlagen, ingediend. Het geding is met een aantal soortgelijke gedingen gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 1 juni 1999, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr W.M.J. Evers, werkzaam bij Gak Nederland bv en waar gedaagde is verschenen bij gemachtigden mr Voûte, voornoemd, alsmede haar kantoorgenoot mr C.E.M.M. de Bruijn en ir B.C.A. Nooijen, werkzaam bij de Stichting Uittreding Havenbedrijven. Ter voormelde zitting heeft appellant in een tweetal aan de orde gestelde gedingen zijn hoger beroep ingetrokken, terwijl de behandeling van een andere zaak is aangehouden. Na afloop van de gevoegde behandeling ter zitting zijn de resterende gedingen -de betreffende zaaknummers en de namen en woon-plaatsen van de betrokkenen staan vermeld op de aan deze ./. uitspraak gehechte bijlage- weer gesplitst en wordt hierin afzonderlijk uitspraak gedaan. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de WW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Gedaagde, geboren in 1940, is vanaf 12 oktober 1959 werkzaam geweest bij B.V. X te Y (hierna X), laatstelijk in de functie van besturend medewerker. Aan dit dienstverband is op 7 augustus 1995 een einde gekomen, doordat gedaagde gebruik heeft gemaakt van de uittredingsregeling, zoals opgenomen in het op 21 november 1993 gesloten akkoord tussen werknemers- en werkgeversorganisaties in de Amsterdamse en Rotterdamse havens. Op grond van dit zogenoemde Havenakkoord konden bepaalde groepen werknemers, die van de regeling gebruik maakten, onder meer aanspraak maken op een aanvulling op de WW-uitkering. Voor nadere feiten en omstandigheden met betrekking tot de totstandkoming van deze uittredingsregeling alsmede de gevolgen die deze regeling heeft gehad voor de uitvoering van de WW ten aanzien van werknemers die van de regeling gebruik hebben gemaakt en vervolgens een WW-aanvraag hebben ingediend, verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 2 juni 1998, waarvan er enkele zijn gepubliceerd, onder meer in RSV 1998/248, 249 en 250. Appellant heeft de wijze waarop aan de dienstbetrekking tussen gedaagde en X een einde is gekomen -hoewel feitelijk gegoten in de vorm van een beëindiging met wederzijds goedvinden- gelet op de onderliggende omstandigheden aangemerkt als een ontslagneming als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW en gedaagde op grond daarvan verwijtbaar werkloos geacht. Om die reden heeft appellant bij primair besluit van 3 oktober 1995 op de bij dat besluit met ingang van 8 augustus 1995 aan gedaagde toegekende WW-uitkering een sanctie toegepast van 30% gedurende 21 weken. Bij het bestreden besluit van 1 april 1996 is het tegen deze sanctie ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat appellant bevoegd was een sanctie op te leggen, omdat gedaagde verwijtbaar werkloo