Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-07-27
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8590
97/11769 ABW U I T S P R A A K in het geding tussen: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, appellant, en A te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Roermond onder dagtekening 1 oktober 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Mr N.A.M. Friedrichs, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Venlo, heeft namens gedaagde een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 juni 1999, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr H.J.M.H. Ummels, werkzaam bij de gemeente Venlo, en gedaagde door mr Friedrichs voornoemd. II. MOTIVERING Gedaagde ontving sedert 1 oktober 1984 een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW) naar de norm voor een alleenstaande. In verband met de inwerkingtreding van de Algemene bijstandswet (Abw) is vanwege appellant een onderzoek ingesteld naar de rechtsgevolgen waartoe de toepassing van die wet ten aanzien van gedaagde zal leiden. Dit onderzoek resulteerde in een besluit van 3 juli 1996, waarbij met ingang van 1 juli 1996 aan gedaagde uitkering ingevolge de Abw werd toegekend naar de norm voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder en een toeslag; het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen werd op nihil vastgesteld. In het najaar van 1996 verbouwde gedaagde de woonwagen die hij eerder voor f 4.000,-- had gekocht en die hij al jaren bewoonde. Zijn Abw-uitkering werd ingaande 1 november 1996 geblokkeerd. Bij besluit van 12 december 1996 heeft appellant de Abw-uitkering van gedaagde per 1 november 1996 beëindigd. Nadat gedaagde bezwaar had gemaakt, heeft appellant bij het bestreden besluit van 7 april 1997 het bezwaarschrift ongegrond verklaard op de grond dat de waarde van gedaagdes woonwagen meer bedraagt dan het voor hem vrij te laten vermogen van f 9.300,--. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep gegrond ver-klaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de gemeente Venlo de in die uitspraak aangegeven proceskosten en het griffierecht dient te vergoeden. Naar het oordeel van de rechtbank komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking omdat geen of onjuiste toepassing is gegeven aan artikel 52, eerste lid aanhef en onder a, van de Abw en is het aan appellant om te bepalen welk deel van het vermogen in de woonwagen naar aard en waarde algemeen gebruikelijk is dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk is. Appellant zou daarbij, aldus de rechtbank, kunnen aansluiten bij de vrijlatings-bedragen van artikel 20, derde lid, van de Abw dan wel een soortgelijke regeling specifiek voor woonwagens kunnen ontwerpen. Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep bestreden. Naar het oordeel van appellant dient bij het in een woonwagen gebonden vermogen slechts rekening te worden gehouden met de vermogensgrenzen genoemd in artikel 54 van de Abw en ligt het niet op zijn weg om op grond van artikel 52, eerste lid aanhef en onder a, van de Abw een vermogensvrijstellingsbeleid te ontwikkelen voor woonwagens. De Raad overweegt het volgende. Bij de vaststelling van het vermogen van een belangheb-bende gaat het er, gelet op het bepaalde in de artikelen 42 en 51 van de Abw, primair om of de alleenstaande of het gezin over een bepaald bestanddeel beschikt of rede-lijkerwijs kan beschikken. Onder vigeur van de ABW werd feitelijk aanwezig vermogen waarvan tegeldemaking redelijkerwijs niet kon worden verlangd, niet als in aanmerking te nemen vermogen be-schouwd. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw is de Raad niet gebleken dat de wetgever op dit punt een andere koers heeft willen varen. Zodra op een later tijdstip over een dergelijk vermogen wordt beschikt of kan worden beschikt, is in artikel 82 van de Abw wel voorzien in een terugvorderingsgrond met