Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-09-02
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8561
98/3047 AAW/WAO 99/1297 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., appellant, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 7 november 1996 heeft gedaagde het uitkeringspercentage van de eerder aan appellante toegekende uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsonge-schiktheidswet (AAW) en krachtens de Wet op de arbeids-ongeschiktheidsverzekering (WAO) over de in dat besluit genoemde periode met vijf procent verlaagd. De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 4 maart 1998 het door appellant tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 november 1996 vernietigd. Appellant heeft tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Met inachtneming van de aangevallen uitspraak heeft gedaagde bij besluit van 29 april 1998 wederom het uitkeringspercentage over de in dat besluit genoemde periode met vijf procent verlaagd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 juni 1999, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde -zoals te voren aangekondigd- zich niet heeft laten vertegenwoordigen. II. MOTIVERING 1. Feiten die de Raad als vaststaand aanneemt. Blijkens de gedingstukken ontvangt appellant sedert 27 november 1979 uitkeringen krachtens de AAW en de WAO berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 6 november 1996 heeft appellant tele-fonisch aan de administrateur van gedaagde meegedeeld dat hij de beschikking had gekregen over een flat in Spanje en dat hij met ingang van 27 november 1996 voor een langere periode naar Spanje zou vertrekken. Voorts deelde hij mee dat, als het goed zou bevallen, hij definitief daar zou blijven. Uit het betreffende telefoonrapport blijkt dat aan appellant is verteld dat hij dit twee maanden van te voren had moeten aanvragen en blijkt tevens dat hij op de consequenties van zijn vertrek is gewezen. Bij brief van 7 november 1996 heeft gedaagde appellant "toestemming" verleend om voor een periode van een half jaar naar Spanje te gaan. Voorts heeft gedaagde op die datum het in hoger beroep bestreden besluit ten aanzien van appellant genomen. Overeenkomstig zijn voornemen is appellant op 27 november 1996 naar Spanje vertrokken. Daarbij heeft hij in dit geding gesteld dat hij in verband met de consequenties van een langer verblijf dan vier weken in Spanje het voornemen had binnen deze termijn naar Nederland terug te keren, maar dat hij als gevolg van diverse omstandigheden toch eerst in januari 1997 is teruggekeerd naar Nederland. 2. Het geschil. Genoemd besluit van 7 november 1996 heeft onder meer de volgende inhoud: "Uit onze gegevens is gebleken dat u met ingang van 27 november 1997 voor een langere duur naar Spanje vertrekt. Dit moet minimaal 2 maanden van tevoren worden aangevraagd. Hiermee heeft u de voorschriften van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) overtreden. Namens het bestuur van de bedrijfsvereniging is besloten over de periode van 2 december 1996 tot 30 december 1996 een sanctie toe te passen van 5%. Het bij uw mate van arbeidsongeschiktheid behorende uitkeringspercentage wordt daarom verlaagd met 5%. Het gesanctioneerde uitkeringspercentage bedraagt derhalve 70% - 5% = 65%." De rechtbank heeft dat besluit vernietigd onder overweging van het navolgende: "Verweerder heeft als uitgang De artikelen 18 van de AAW en 27 van de WAO (zoals luidend tot 1 maart 1997) bepalen dat de bedrijfs-vereniging bevoegd is controlevoorschriften vast te stellen en dat deze voorschriften niet verder mogen gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wetten. Met ingang van 1 maart 1997 komt deze bevoegdheid aan het Lisv toe. Met gebruikmaking van deze bevoegdheid heeft de Bedrijfs-vereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen Controlevoorschriften vastgesteld, waarvan artikel 7, tweede lid, bepaalt dat de uitkerings-gerechtigde die voor langer dan vier weken naar het buitenland vertrekt, daarvan tenminste twee maanden voor zijn vertrek mededeling doet aan het Bestuur. Deze Controlevoorschriften zijn per 1 januari 1998 door het Lisv ingetrokken en vervangen door de Controle-voorschriften WAO, WAZ, Wajong 1998. In artikel 6, tweede volzin, van die Controlevoorschriften is bepaald dat de uitkeringsgerechtigde die voor langer dan vier weken naar het buitenland vertrekt, hiervan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee weken voor vertrek mededeling doet aan de uitvoeringsinstelling. Ingevolge de artikelen 19, aanhef en onder d, van de AAW en 28, aanhef en onder d, van de WAO (zoals luidend tot 1 maart 1997) weigert de bedrijfsvereniging de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, indien de belanghebbende de hiervoor bedoelde controlevoorschriften niet of niet behoorlijk is nagekomen. Een dergelijke maatregel dient op grond van de artikelen 20, eerste lid, van de AAW en 29, eerste lid, van de WAO (zoals luidend tot 1 januari 1998) te worden afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten. Het tweede lid van genoemde artikelen bepaalt voorts dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn de bedrijfsvereniging kan besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien. Op grond van de artikelen 20, vierde lid, (oud) van de AAW en 29, vierde lid,(oud) van de WAO heeft het TICA nadere regels gesteld ten aanzien van de op te leggen maatregelen (Maatregelenbesluit TICA). Voor gevallen als het onderhavige is in artikel 4, eerste lid, van het Maatregelenbesluit TICA bepaald dat de hoogte en duur van de maatregel 5% gedurende vier weken bedraagt. Indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de verzekerde daartoe aanleiding geeft, bedraagt ingevolge het tweede lid van genoemd artikel de hoogte van de maatregel 2%. Voorts dient te worden vermeld dat artikel 12 van het Maatregelenbesluit TICA voor zover hier van belang bepaalt dat de maatregel ingaat op de eerste dag van de overtreding. 4. Beoordeling van het bestreden besluit van 7 november 1996. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant het hierboven genoemde controlevoorschrift heeft overtreden. Ook de Raad acht het onvoldoende aannemelijk dat appel-lant tenminste twee maanden voor zijn vertrek naar Spanje op behoorlijke wijze mededeling heeft gedaan van zijn vertrek naar Spanje op 27 november 1996. Hieraan kan al hetgeen appellant ter zake heeft aangevoerd, niet afdoen. De Raad wil weliswaar niet uitsluiten dat appellant wellicht op een kantoor van gedaagdes administrateur over dit onderwerp een informatief gesprek heeft gevoerd, maar de Raad acht - gelet op het ontbreken van iedere schrif-telijke vastlegging - in rechte onvoldoende aannemelijk geworden dat appellant tijdig een voldoende concrete mededeling over zijn vertrek per 27 november 1996 naar Spanje aan gedaagde heeft gedaan. Voorts is van belang dat voor zijn vertrek naar Spanje appellant op geen enkele wijze aan gedaagde heeft laten weten dat zijn intentie om langer dan vier weken weg te blijven was gewijzigd. Desondanks komt gedaagde naar het oordeel van de Raad niet de bevoegdheid toe de onderhavige maatregel over het tijdvak van 2 december 1996 tot 30 december 1996 op te leggen, nu deze maatregel strijdig is met hiervoor genoemde artikel 12 van het Maatregelenb