Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-01-15
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8549
98/5530 WVG U I T S P R A A K in het geding tussen: het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tilburg, appellant, en A., wonende te B., wettelijk vertegenwoordigd door C., wonende te D., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant is op daartoe aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Breda onder dagtekening 15 juni 1998 gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), inhoudende vernietiging van het door appellant in het kader van de uitvoering van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) ten aanzien van gedaagde genomen besluit van 10 februari 1998 alsmede de opdracht aan appellant om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak van de rechtbank. Namens gedaagde is op 28 september 1998 door mr A.M. Holmes, advocaat te Hedel, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 december 1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr F.H.M. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente Tilburg, terwijl namens gedaagde zijn verschenen haar zus E., en mr Holmes, voornoemd. II. MOTIVERING De relevante feiten Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder is aangeduid en gedaagde als eiseres, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden: "Eiseres, geboren in 1962, is een verstandelijk gehandicapte vrouw die functioneert op het ontwikkelingsniveau van een 4-jarige en die tevens een contactstoornis (autisme) heeft. Zij woont in Vincentius, een instelling die is toegelaten ingevolge artikel 8 van de Algemene wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ-instelling), in de voormalige gemeente B. Bij besluit van 9 april 1996 is in het kader van de WVG vervoer per deeltaxi toegekend en het verzoek om een vergoeding afgewezen omdat niet gebleken is dat eiseres op medische gronden geen gebruik kan maken van de deeltaxi. De bezwaren van eiseres hiertegen zijn door verweerders rechtvoorganger bij besluit van 24 september 1996, verzonden 2 oktober 1996 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 juni 1997 heeft de rechtbank dit besluit vernietigd wegens een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Vervolgens heeft verweerder nader onderzoek verricht naar de vervoersbehoefte van eiseres aan de hand van een vragenlijst. Eiseres gaat ongeveer 15 keer per jaar gedurende een weekend of een vakantie naar haar zussen in Ammerzoden, Hedel en Amsterdam. Van daaruit vinden veelvuldig bezoeken aan ander familieleden plaats (hierna: weekendvervoer). Zij wordt vervoerd door haar zussen met de eigen auto; van een deeltaxi is tot nu toe geen gebruik gemaakt. Verder heeft Thuiszorg Midden- Brabant (hierna Thuiszorg) een nieuw medisch advies uitgebracht. Na onderzoek door een verpleegkundige van Thuiszorg, heeft een arts als advies uitbracht dat eiseres alleen met begeleiding door een voor haar bekende persoon gebruik kan maken van de deeltaxi. Tot slot heeft op 5 november 1997 een nieuwe hoorzitting plaatsgevonden. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift opnieuw ongegrond verklaard, met dien verstande dat aan eiseres is toegekend een deeltaxipas met begeleiding voor regionaal vervoer plus 200 strippen voor bovenregionaal vervoer. Tevens is de eerder (op grond van door de president van de rechtbank getroffen voorlopige voorzieningen) toegekende financiële vergoeding per 1 april 1998 beëindigd. Daarbij is onder meer overwogen dat van de familie gevraagd kan worden eiseres te begeleiden, alsmede dat verweerder in beginsel slechts zorgplicht heeft voor het vervoer in de directe woon- en leefomgeving. In de vervoersbehoefte door de week kan worden voorzien middels deeltaxi met begeleiding. Voorts stelt verweerder vast dat het vervoer voor eiseres in principe uitsluitend bestaat uit bovenregionaal vervoer. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat de meeste bovenregionale contacten onderhouden worden met familieleden die in staat zijn bi In dit verband merkt de rechtbank nog op dat verweerder ook bij de voorbereiding van het nieuwe bestreden besluit, ondanks de overwegingen van de rechtbank terzake in de vorige uitspraak, heeft nagelaten onderzoek te (laten) verrichten naar dit aspect. In het rapport van Thuiszorg is louter een advies gegeven over de belemmeringen van eiseres om gebruik te maken van de deeltaxi. Uit de stukken blijkt niet dat verweerder bij de besluitvorming enig inzicht had in de psychosociale noodzaak van het bezoek aan het weekendadres. Onderzoek daarnaar ontbreekt ten enenmale. In die zin is het bestreden besluit dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en is sprake van strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit het voorgaande volgt dat verweerder, om te kunnen spreken van een verantwoorde voorziening in de zin van de WVG, tevens een voorziening dient te treffen waarmee eiseres op adequate wijze het weekendadres kan bezoeken. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder getroffen voorziening daaraan niet voldoet. In dit specifieke geval moet naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de verklaring van de getuige-deskundige, een frequentie van ongeveer 15 keer per jaar als noodzakelijk worden aangemerkt. Het door verweerder toegekende aantal strippen is niet toereikend om in deze vervoersbehoefte te voorzien. Per bezoek aan Ammerzoden en Hedel zijn in totaal 28 strippen nodig voor het viceversa-vervoer. Het is de rechtbank niet bekend hoeveel strippen een bezoek aan Amsterdam kost, maar dat is ongetwijfeld een veelvoud daarvan. Zowel onder de Udenhoutse regeling (500 strippen) als onder de Tilburgse regeling (200 bovenregionale strippen) zou eiseres dus minder bezoeken aan haar zussen kunnen brengen dan noodzakelijk moet worden geacht. Verder overweegt de rechtbank met betrekking tot de begeleiding het volgende. In beginsel mag een gemeente er vanuit gaan dat de gehandicapte zelf -of degene die daarvoor verantwoordelijk moet worden geacht, zoals een wettelijk vertegenwoordiger- voor de benodigde begeleiding zorg draagt. De rechtbank ziet niet in dat in dit geval de noodzakelijke begeleiding op zich in redelijkheid niet gevergd zou kunnen worden van de familieleden die daarvoor ook thans zorg dragen. De rechtbank constateert echter dat gebruikmaking van de deeltaxi een extra belasting voor deze begeleiders zou betekenen. Teneinde eiseres in de deeltaxi te kunnen begeleiden dient de begeleider eerst zelf naar Vincentius te reizen, waarbij geen gebruik kan worden gemaakt van de eigen auto omdat die dan niet meer beschikbaar is voor vervoer vanuit het weekendadres. Dit klemt in dit geval des te meer nu eiseres met name ook tijdens het weekend een grote behoefte heeft aan vervoer voor bezoek aan diverse familieleden. Dit betekent dat de begeleider op het openbaar vervoer is aangewezen, hetgeen zowel qua reistijd als qua kosten een extra belasting inhoudt ten opzichte van de huidige situatie, waarin ook reeds sprake is van een aanzienlijke belasting. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de noodzakelijk geachte frequentie van de bezoeken aan het weekendadres, die extra belasting in redelijkheid niet meer van de begeleiders gevergd kan worden.". De standpunten van partijen In hoger beroep is zijdens appellant betoogd dat de gemeente slechts een zorgplicht heeft voor het vervoer in de directe woon- en leefomgeving en dat door de week in gedaagdes vervoersbehoefte kan worden voorzien middels de deeltaxi met begeleiding, waarvoor gedaagdes familie dan wel personeel van Vincentius kan worden ingeschakeld. Appellant acht zich niet gehouden rekening te houden met eventuele extra kosten van begeleiding. Hij is voorts van mening dat het vervoer van gedaagde in principe alleen uit bovenregionaal vervoer bestaat en dat de meeste bovenregionale contacten worden onderhouden met familieleden die in staat zijn om in Huize Vincentius op bezoek te komen, zodat de primaire essentiële contacten kunnen worden onderhoude Ook hij acht daartoe de ter zitting van de rechtbank door de eerdergenoemde deskundige drs Van Enckevort afgelegde verklaring doorslaggevend. Daaruit blijkt in de eerste plaats dat deze het contact met het ouderlijk milieu in zijn algemeenheid voor bewoners van AWBZ-instellingen als de onderhavige van groot belang vindt. Mede in aanmerking genomen de normaliter bestaande mogelijkheden om binnen zodanige instelling sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan activiteiten alsmede om daar bezoek van familie en bekenden te ontvangen, acht de Raad echter in deze opvatting, aan de juistheid waarvan hij op zichzelf niet twijfelt, onvoldoende grond gelegen om aan te nemen dat in zijn algemeenheid voor de betrokken bewoners het bezoeken van het ouderlijk huis een noodzakelijke voorwaarde is om het ontstaan van vereenzaming of sociaal isolement te voorkomen. Genoemde deskundige heeft evenwel ook uiteengezet dat op grond van gedaagdes individuele eigenschappen en omstandigheden het bezoeken van de woning van haar zussen voor haar van dusdanig groot belang is dat van vereenzaming sprake zou zijn als zulks niet regelmatig mogelijk zou zijn. Van appellants kant is echter geen enkel gericht onderzoek naar dit aspect gedaan en de door de deskundige specifiek ten aanzien van gedaagde afgelegde verklaring is zijdens appellant zelfs niet op enigermate beargumenteerde wijze aangevochten. Waar de Raad voorts aannemelijk acht dat met name de woning van gedaagdes zus en wettelijk vertegenwoordigster te B., waarin gedaagde ook een eigen kamer heeft, met het ouderlijk huis op één lijn kan worden gesteld, ziet de Raad geen reden om de deskundige op dit punt niet te volgen. De Raad tekent hierbij aan dat de omstandigheid dat het gemeentebestuur van Tilburg naar aanleiding van de eerdergenoemde Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen ter invulling van zijn zorgplicht geen op de positie van bewoners van die instellingen toegesneden regels in het leven heeft geroepen, er appellant temeer toe had moeten brengen om onder ogen te zien in hoeverre de reguliere systematiek van de toepasselijke verordening beantwoordt aan de van gedaagdes kant gestelde en uitgebreid toegelichte specifieke vervoersbehoeften. De Raad is voorts tot het oordeel gekomen dat hij niet mee kan gaan met de uit de aangevallen uitspraak af te leiden opvatting van de rechtbank dat door bewoners van zwakzinnigeninstellingen als Vincentius contact met het ouderlijke milieu niet (mede) op zinvolle wijze kan worden onderhouden doordat personen uit dat milieu de gehandicapte in de instelling bezoeken. De Raad is er ook wat betreft gedaagdes geval niet van overtuigd geraakt dat bezoek van haar zussen, die gelet op de voorhanden gegevens in dit geval voor haar het ouderlijk milieu vertegenwoordigen, aan gedaagde in Vincentius onmogelijk of zinloos zou zijn. De Raad laat daarbij nog daar dat van een AWBZ-instelling als de onderhavige in het algemeen mag worden verwacht dat voor adequate bezoekfaciliteiten wordt gezorgd. Dit alles gevoegd bij de omstandigheid dat gedaagdes leven van alledag, naar ook door de deskundige in eerste aanleg is bevestigd, zich onmiskenbaar primair binnen de instelling afspeelt, kan de Raad niet tot de conclusie komen dat de door de rechtbank nodig bevonden -op de feitelijke situatie geënte- bezoekfrequentie van ongeveer 15 keer per jaar, vanuit het oogpunt van voorkoming van vereenzaming of sociaal isolement, strikt noodzakelijk is. Het eerderoverwogene mede in aanmerking genomen houdt de Raad het er, gelet op de voorhanden gegevens, voor dat in het onderwerpelijke geval kan worden volstaan met het ongeveer 10 maal per jaar bezoeken van de woning van gedaagdes zus te Ammerzoden dan wel het ongeveer op dezelfde afstand gelegen Hedel. De Raad is op basis van het voorgaande van oordeel dat gedaagde in aanmerking had moeten worden gebracht voor een vervoersvoorziening, welke haar in staat stelt op een reële wijze tenminste de zojuist aangeduide bezoeken af te afl