Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-10-28
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8527
96/2245 APPA U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., eiser, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongeradeel, verweerder. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 24 januari 1996 heeft verweerder ten aanzien van eiser een besluit genomen ingevolge de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van de gemeente Dongeradeel. Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Namens verweerder is een verweerschrift ingediend. Na behandeling van het geding ter zitting van 3 september 1998, waar alleen eiser is verschenen, is het onderzoek heropend. In dat kader zijn aan verweerder bij brief van 10 september 1998 enige vragen voorgelegd, waarop namens verweerder bij brief van 7 januari 1999 is geantwoord. Het geding is opnieuw ter zitting behandeld op 25 februari 1999, waar eiser met bericht van verhindering niet is verschenen en verweerder, vanwege de Raad ambtshalve opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, zich heeft doen vertegenwoordigen door K. Kuiken, toen werkzaam bij de gemeente Dongeradeel. Nadat het onderzoek wederom was heropend heeft de Raad bij brief van 7 april 1999 desgevraagd inlichtingen verkregen van het College van Gedeputeerde Staten van Friesland. Vervolgens heeft de Raad verdere behandeling van het geding ter zitting met toestemming van partijen achterwege gelaten. II. MOTIVERING De Raad stelt ten behoeve van zijn oordeelsvorming op grond van de gedingstukken en de behandelingen ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Eiser, geboren in 1929, is van 1 september 1970 tot 26 maart 1976 wethouder geweest van de voormalige gemeente Westdongeradeel. Aansluitend is hem tot 1 september 1981 een uitkering toegekend op grond van de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van die gemeente, welke uitkering nadien tot 16 november 1994 is voortgezet wegens bij hem bestaande invaliditeit. Als gevolg van een gemeentelijke herindeling is de gemeente Westdongeradeel met ingang van 1 januari 1984 opgeheven en opgegaan in de gemeente Dongeradeel. Voor eiser heeft dit betekend dat zijn recht op uitkering van dat tijdstip af werd beheerst door de eveneens met ingang van laatstgenoemde datum in werking getreden Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Dongeradeel (hierna: de Verordening van 1984). Met betrekking tot het aan eiser met ingang van 16 november 1994 toekomende pensioen is ten behoeve van verweerder door diens externe accountant, de VB-groep te Voorburg, een pensioenberekening opgesteld. Tegen deze berekening heeft eiser bij brief van 15 november 1994 ingebracht dat naar zijn opvatting ten onrechte de zogenoemde uitkeringstijd niet als voor pensioen tellende tijd is aangemerkt en voorts dat hem de wijze van inbouw van het algemeen ouderdomspensioen (AOW) in het wethouderspensioen als onjuist voorkwam. Verweerder heeft bij besluit d.d. 6 februari 1995 geweigerd het pensioen hoger vast te stellen dan door de VB-groep was geadviseerd. Tegen dit besluit heeft eiser bij verweerder bezwaar gemaakt. Na inwinning van het advies van de gemeentelijke commissie voor de bezwaar- en beroepschriften heeft verweerder bij het thans bestreden besluit de AOW-inbouw van eisers pensioen verlaagd; voor het overige is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Blijkens het verhandelde ter zitting van 3 september 1998 is tussen partijen alleen nog in geschil het antwoord op de vraag of verweerder op goede gronden de tijd van 26 maart 1976 tot 16 november 1994 niet heeft aangemerkt als voor pensioengeldige tijd. De Raad overweegt het volgende. Bij het bestreden besluit heeft verweerder ten aanzien van eiser toepassing gegeven aan de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Dongeradeel, zoals deze door de raad van verweerders gemeente is vastgesteld in zijn vergadering van 28 oktober 1993 (hierna: de Verordening van 1993