Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-01-15
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8515
98/5844 en 5845 WVG U I T S P R A A K in het geding tussen: het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tilburg, appellant, en A., wonende te B., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant is op daartoe aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Breda onder dagtekening 15 juni 1998 gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), inhoudende vernietiging van de door appellant in het kader van de uitvoering van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) ten aanzien van gedaagde genomen besluiten van 24 september 1996 (besluit I) en van 10 februari 1998 (besluit II) alsmede de opdracht aan appellant om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak van de rechtbank. Namens gedaagde is op 27 oktober 1998 door H.C. Vermaseren, medewerkster van de Stichting Juridische EHBO te Tilburg, een verweerschrift ingediend en onder dagtekening 19 november 1998 is harerzijds een nader stuk ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 december 1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr F.H.M. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente Tilburg, terwijl namens gedaagde zijn verschenen haar broer C. alsmede H.C. Vermaseren, voornoemd. II. MOTIVERING De relevante feiten Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder is aangeduid en gedaagde als eiseres, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden: "Eiseres, geboren in 1957, is een verstandelijk gehandicapte vrouw, die functioneert op het ontwikkelingsniveau van een 5- tot 8-jarige. Daarnaast heeft zij ook lichamelijke handicaps: zij is rolstoelgebonden, epileptisch, nagenoeg blind en heeft ernstige gehoorproblemen. Zij woont in X., een instelling die is toegelaten ingevolge artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ-instelling), in de voormalige gemeente B. Bij besluit van 3 april 1996 is in het kader van de WVG vervoer per deeltaxi (rolstoeltaxi) toegekend. Bij besluit I heeft verweerders rechtsvoorganger de bezwaren van eiseres hiertegen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 juni 1998 heeft de rechtbank in een viertal vergelijkbare zaken van bewoners van X. het (nagenoeg gelijkluidende) bestreden besluit vernietigd wegens een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Naar aanleiding van die uitspraak heeft verweerder nader onderzoek verricht naar de vervoersbehoefte van eiseres aan de hand van een vragenlijst. Eiseres gaat één keer per vier weken een dag naar haar moeder en haar broers in D. Het vervoer geschiedt door haar twee broers, met hun eigen auto. Verder heeft Thuiszorg Midden-Brabant (hierna: Thuiszorg) een nieuw medische advies uitgebracht. Na onderzoek door een verpleegkundige van Thuiszorg, heeft een arts als advies uitgebracht dat eiseres met begeleiding gebruik kan maken van de deeltaxi, te weten rolstoeltaxi met individueel vervoer. Tot slot heeft op 10 november 1997 een nieuwe hoorzitting plaatsgevonden. Bij besluit II heeft verweerder het bezwaarschrift opnieuw ongegrond verklaard, met dien verstande dat aan eiseres is toegekend een rolstoeldeeltaxi-pas met begeleiding voor individueel regionaal vervoer plus 200 strippen voor bovenregionaal vervoer. Tevens zijn 472 extra strippen toegekend voor bovenregionaal vervoer. Daarbij is onder meer overwogen dat van de familie gevraagd kan worden eiseres te begeleiden, alsmede dat verweerder in beginsel slechts zorgplicht heeft voor het vervoer in de directe woon- en leefomgeving. In de vervoersbehoefte door de week kan worden voorzien middels deeltaxi met begeleiding. Voorts stelt verweerder vast dat het vervoer voor eiseres in principe uitsluitend bestaat uit bovenregionaal vervoer. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat de meeste bovenregionale contacten onderhouden worden met familieleden die in staat zijn bij eiseres op bezoek te komen en dat aldus voorzien kan worden in de primaire essentiële contacten. Hieruit volgt dat geen vervoersvoorziening behoeft te w Voor de rechtbank staat dan ook vast dat hier sprake is van een voor eiseres slechts door bezoek ter plekke zinvol te onderhouden essentieel contact. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat verweerder ook bij de voorbereiding van besluit II, ondanks hetgeen namens eiseres in de loop van de procedure daaromtrent reeds was aangevoerd en de overwegingen van de rechtbank terzake in de uitspraak van 24 juni 1997, heeft nagelaten onderzoek te (laten) verrichten naar dit aspect. In het rapport van Thuiszorg is louter een advies gegeven over de belemmeringen van eiseres om gebruik te maken van de deeltaxi. Uit de stukken blijkt niet dat verweerder bij de besluitvorming enig inzicht had in de psychosociale noodzaak van het bezoek aan het thuisadres. Onderzoek daarnaar ontbreekt ten enenmale. In die zin is het bestreden besluit dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en is sprake van strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit het voorgaande volgt dat verweerder, om te kunnen spreken van een verantwoorde voorziening in de zin van de WVG, een voorziening dient te treffen waarmee eiseres op adequate wijze het thuisadres kan bezoeken. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder toegekende voorziening in de vorm van deeltaxi daaraan niet voldoet en heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen. Eiseres gaat 1 maal per 4 weken naar haar moeder en broers in D., hetgeen, zoals hiervoor reeds is overwogen, als noodzakelijk moet worden aangemerkt. Dit bezoek moet, in verband met haar handicaps, noodzakelijkerwijs beperkt blijven tot één dag. De rechtbank constateert dat gebruikmaking van de deeltaxi in dit specifieke geval op zoveel (praktische) problemen stuit dat dit naar haar oordeel niet meer als adequaat kan worden aangemerkt. Eiseres is aangewezen op begeleiding, welke thans wordt verzorgd door haar twee broers. De rechtbank ziet niet in dat die begeleiding ook in de deeltaxi op zich in redelijkheid niet van hen gevergd zou kunnen worden. Echter, teneinde eiseres in de deeltaxi te kunnen begeleiden dient de begeleider eerst zelf vanuit D. naar X. te reizen, waarbij geen gebruik kan worden gemaakt van de eigen auto, onder meer omdat die dan niet meer beschikbaar is voor vervoer gedurende de dag in D., waar een aantal adressen (moeders en broers) wordt bezocht. Dit betekent dat de begeleider op het openbaar vervoer is aangewezen, waarbij moet worden aangetekend dat de bezoeken in het weekend plaatsvinden, wanneer met name de busverbindingen naar Udenhout beperkt zijn. De reisduur naar X. wordt daardoor voor de begeleider 2 à 2,5 uur. Vervolgens dient per deeltaxi naar D. gereisd te worden en diezelfde middag/avond weer van D. naar X., waarbij wachttijden mogelijk zijn, aangezien die inherent zijn aan het systeem van deeltaxi. Tot slot zal de begeleider weer met openbaar vervoer naar D. moeten reizen. Hieruit blijkt dat gebruik van de deeltaxi leidt tot een dermate verlenging van de totale reisduur, dat de duur van het bezoek sterk zou moeten worden bekort, waardoor het doel daarvan, namelijk contact met met name de moeder van eiseres, ernstig in de knel komt. Voorts is zowel qua reistijd als qua kosten sprake van een dusdanige extra belasting voor de begeleiders, dat die extra belasting in redelijkheid niet meer van hen gevergd kan worden." De standpunten van partijen In hoger beroep is zijdens appellant betoogd dat de gemeente slechts een zorgplicht heeft voor het vervoer in de directe woon- en leefomgeving en dat door de week in gedaagdes vervoersbehoefte kan worden voorzien middels de een individuele rolstoeltaxi met begeleiding, waarvoor gedaagdes familie dan wel personeel van X. kan worden ingeschakeld. Appellant acht zich niet gehouden rekening te houden met eventuele extra kosten van begeleiding. Hij is voorts van mening dat het vervoer van gedaagde in principe alleen uit bovenregionaal vervoer bestaat en dat de meeste bovenregionale contacten worden onderhouden met familieleden die in staat zi Daarin ligt tevens besloten dat in dit verband de aanwezigheid van belangrijke bovenregionale contacten op zichzelf geen beslissende rol speelt, wat echter anders kan liggen indien vast komt te staan dat er sprake is van dusdanig wezenlijke -uitsluitend door persoonlijk bezoek te onderhouden- contacten dat zonder deze vereenzaming of sociaal isolement optreedt. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat zich in casu een uitzonderingsgeval als juistbedoeld voordoet. Ook hij acht daartoe de ter zitting van de rechtbank door de eerdergenoemde deskundige drs Van Enckevort afgelegde verklaring doorslaggevend. Daaruit blijkt in de eerste plaats dat deze het contact met het ouderlijk milieu in zijn algemeenheid voor bewoners van AWBZ-instellingen als de onderhavige van groot belang vindt. Mede in aanmerking genomen de normaliter bestaande mogelijkheden om binnen zodanige instelling sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan activiteiten alsmede om daar bezoek van familie en bekenden te ontvangen, acht de Raad echter in deze opvatting, aan de juistheid waarvan hij op zichzelf niet twijfelt, onvoldoende grond gelegen om aan te nemen dat in zijn algemeenheid voor de betrokken bewoners het bezoeken van het ouderlijk huis een noodzakelijke voorwaarde is om het ontstaan van vereenzaming of sociaal isolement te voorkomen. Genoemde deskundige heeft evenwel ook uiteengezet dat op grond van gedaagdes individuele eigenschappen en omstandigheden het bezoeken van de ouderlijke woning voor haar van dusdanig groot belang is dat van vereenzaming sprake zou zijn als niet vaker dan één keer per kwartaal - hetgeen de in casu toegekende voorziening beoogt mogelijk te maken - het ouderlijk huis bezocht zou kunnen worden. Nu van de kant van appellant geen enkel onderzoek naar dit aspect is gedaan en de door de deskundige specifiek ten aanzien van gedaagde afgelegde verklaring zijnerzijds zelfs niet op enigermate beargumenteerde wijze is aangevochten, ziet de Raad geen reden om de deskundige in dit opzicht niet te volgen. De Raad tekent daarbij aan dat de omstandigheid dat het gemeentebestuur van Tilburg naar aanleiding van de eerdergenoemde Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen ter invulling van zijn zorgplicht geen op de positie van bewoners van die instellingen toegesneden regels in het leven heeft geroepen, er appellant temeer toe had moeten brengen om onder ogen te zien in hoeverre de reguliere systematiek van de toepasselijke verordening beantwoordt aan de van gedaagdes kant gestelde en uitgebreid toegelichte specifieke vervoersbehoeften. De Raad is voorts tot het oordeel gekomen dat hij niet mee kan gaan met de uit de aangevallen uitspraak af te leiden opvatting van de rechtbank dat door bewoners van zwakzinnigeninstellingen als X. contact met het ouderlijke milieu niet (mede) op zinvolle wijze kan worden onderhouden doordat personen uit dat milieu de gehandicapte in de instelling bezoeken. De Raad is er ook wat betreft gedaagdes geval niet van overtuigd geraakt dat familiebezoek aan haar in X. onmogelijk of zinloos zou zijn. Zo is in ieder geval bezoek van gedaagdes broers, die gelet op de voorhanden gegevens tot het ouderlijk milieu kunnen worden gerekend en die gedaagdes vervoer verzorgen, mogelijk. Niettemin kan de Raad zich in dit uitzonderlijke geval verenigen met de conclusie van de rechtbank dat een bezoekfrequentie van circa één maal per 4 weken ter voorkoming van vereenzaming of sociaal isolement noodzakelijk is. De Raad heeft daartoe in de eerste plaats doen wegen dat de deskundige Van Enckevort uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft aangegeven dat getracht is deze frequentie terug te brengen, maar dat dit een zeer negatieve uitwerking op gedaagdes welbevinden had. Voorts acht de Raad van belang dat gedaagde als gevolg van de ernst van haar handicaps geen bezoeken van langer dan één dag aan haar moeder kan brengen, terwijl aannemelijk is dat haar moeder als gevolg van haar gezondheidstoestand gedaagde niet in X. kan bezoe