Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-10-08
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8513
99/3967 REA U I T S P R A A K in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en A., wonende te B., gedaagde. I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Gedaagde heeft eind oktober 1998 aan appellant (herhaald) verzocht om vergoeding van studiekosten bij wijze van werkvoorziening. Bij besluit op bezwaar van 6 mei 1999 heeft appellant dat verzoek met toepassing van art 22 van de Wet op de (re)integratie (REA) afgewezen op de grond dat de gevraagde voorziening niet strekt tot bevordering van gedaagdes arbeidsgeschiktheid in de zin van het eerste lid van die bepaling. Het door gedaagde tegen dat besluit ingesteld inleidend beroep is door de President van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam bij met toepassing van art 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gewezen uitspraak van 16 juli 1999 gegrond verklaard met opdracht aan appellant tot het nemen van een nieuw besluit met inachtneming van het in die uitspraak overwogene. Appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen bij de Raad. Namens gedaagde heeft mr M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 augustus 1999. Appellant heeft zich daar doen vertegenwoordigen door mr M.H. Beersma, werkzaam bij Gak Nederland bv. Zijdens gedaagde is opgetreden mr M.F. Vermaat, voornoemd en is voorts als deskundige verschenen A.H.R. Stiekema, als projectmanager verbonden aan de Hogeschool Utrecht bij de opleiding tot docent gebarentaal. II. MOTIVERING De aangevallen uitspraak bevat een uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde feiten en de door partijen in eerste aanleg ingenomen standpunten, waarbij gedaagde is aangeduid als verzoekster en appellant als verweerder, luidend voor zover hier van belang: "Verzoekster is doof vanaf haar geboorte en niet in staat tot verbale communicatie. Op zeer jonge leeftijd is zij met haar ouders vanuit de Philipijnen in Beijing (China) terecht gekomen. Het gezin is tien jaar geïnterneerd geweest in een 'compound', gedurende welke periode onderwijs niet mogelijk was. Van 1978 tot 1981 heeft verzoekster onderwijs gevolgd aan de Beijing No3 Deaf School en in 1981 is zij naar Nederland gekomen. Zij had toen een forse onderwijsachterstand. Voor de beroepsopleiding slaagde zij in 1992 voor het theoretisch gedeelte, maar een praktijkplek was pas in 1997 bij het RIAGG gevonden. Van 1991 tot 1997 heeft zij in WSW-verband gewerkt als datatypiste gedurende 32 uur per week. In februari 1997 heeft zij de ECABO-opleiding voor bedrijfs administratief medewerkster afgesloten met een diploma. Bij brief van 15 december 1997 heeft zij verweerder verzocht haar met toepassing van de (inmiddels vervallen) Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming in de kosten verbonden aan haar studie aan de Gallaudet University te Washington, Vereniging Staten van Amerika, zijnde een Universiteit voor doven. De studie is in eerste instantie gericht op het verbeteren van het Engels en het aanleren van de Amerikaanse doventaal en zal vervolgens zijn gericht op Computer Science and Computer Science Information Technologie. Verzoekster is van mening dat deze studie haar in de gelegenheid zal stellen om een volwaardige baan te vinden in het vrije bedrijfsleven, waartoe de door haar gevolgde administratieve opleiding haar in Nederland geen mogelijkheden biedt. Bij beschikking van 26 mei 1998 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster afgewezen. Verweerder heeft overwogen dat verzoekster zonder verdere studie in staat is om zich een reële positie op de arbeidsmarkt te verwerven, gelet op haar opleiding: type-diploma, administratieve opleiding op middelbaar niveau, alsmede gelet op de omstandigheid dat verzoekster al enkele jaren ervaring heeft in het arbeidsproces. Bij besluit van 11 augustus 1998 heeft verweerder het tegen die beschikking ingedie Het toekomstperspectief na eventuele afronding scholing is dubieus." Ter zitting is namens verzoekster naar voren gebracht dat de Gallaudet University de enige universiteit is die geheel gericht is op de opleiding van doven en dat alle studierichtingen daar worden gedoceerd. In casu is dit voor verzoekster de enige mogelijkheid om op een hoger niveau te geraken. Verzoekster ziet een toekomst in een visueel beroep in de automatiseringsbrache, met name in de richting van desktop publishing. Daarin zou zij heel goed aan de slag kunnen." Gelet op de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt ook de Raad voormelde feiten, die door partijen niet zijn bestreden, als vaststaand aan. Daaraan voegt de Raad toe dat de afwijzing van de eerder door gedaagde op 15 december 1997 in het kader van artikel 57, eerste lid, (oud) van de AAW gedane aanvraag is gebaseerd op onderzoeksbevindingen van de bij de behandeling van die aanvraag betrokken arbeidsdeskundige Tijmensma. Die kwam blijkens zijn rapport van 22 mei 1998 tot de conclusie dat gedaagde met haar in Nederland afgeronde administratieve opleiding op middelbaar niveau en gezien de door haar (weliswaar in WSW-verband) opgedane werkervaring in staat is zich een reële positie op de arbeidsmarkt te verwerven waarbij zij is aangewezen op routinematig werk met weinig aspecten van verbale communicatie. De conclusie van deze arbeidsdeskundige is tot stand gekomen na een onderhoud met gedaagde en met inachtneming van het destijds met betrekking tot gedaagde opgesteld belastbaarheidspatroon en de daarop aansluitende arbeidsmogelijkhedenlijst met bijbehorende beschrijvingen van eenvoudige administratieve functies waarbij mondelinge communicatie slechts in geringe mate is vereist. In het spoor van de zojuist vermelde bevindingen van de arbeidsdeskundige Tijmensma is namens appellant aan gedaagde bij besluit op bezwaar van 11 augustus 1998 meegedeeld dat de eerdere afwijzing van 26 mei 1998 bleef gehandhaafd. Daarbij werd voorop gesteld dat gedaagde, gezien haar tot dan toe gevolgde opleiding als bedrijfsadministratief medewerkster op middelbaar niveau, in staat is te achten zich ook zonder verdere studie een reële positie op de arbeidsmarkt te verwerven. Eveneens onder dagtekening 11 augustus 1998 werd gedaagde door de arbeidsdeskundige Muller bij wijze van vòòraankondiging in het kader van de schatting van haar arbeidsongeschiktheid in de zin van onder meer de Wajong, er van in kennis gesteld dat zij door de uit haar handicap voortvloeiende beperkingen op de vrije arbeidsmarkt niet kan functioneren en derhalve bij gebreke van enige verdiencapaciteit volledig arbeidsongeschikt is. Laatstvermelde visie berust op een spreekuurcontact van 10 augustus 1998 waarbij de betrokken verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige Muller constateerden dat gedaagde door haar handicap nauwelijks in staat is te communiceren. In verband daarmee concludeerden zij dat nagenoeg alle naar hun aard voor haar in beginsel in aanmerking komende eenvoudige administratieve functies uit het FIS-systeem voor gedaagde niet toegankelijk zijn nu daarbij vrijwel altijd wel enige verbale communicatie is vereist, onder meer bij werkopdrachten en telefonische contacten. Blijkens zijn ten behoeve van haar reïntegratie uitgebracht rapport van 12 augustus 1998 acht de arbeidsdeskundige Muller gedaagde niet inzetbaar op de vrije arbeidsmarkt en uitsluitend bemiddelbaar naar werk in WSW-verband. Scholing via universitaire studie op het gebied van computers leidt naar zijn mening niet tot een betere arbeidsmarktpositie voor gedaagde daar banen op hoger niveau vrijwel altijd meer communicatieve vaardigheden vergen. Laatstgenoemde arbeidsdeskundige is vervolgens eveneens in het kader van de thans in geding zijnde (herhaalde) aanvraag van 30 oktober 1998 betrokken. Zijn rapport van 8 december 1998 alsmede het daarop gebaseerd primair besluit van 30 december 1998 behelzen zijn hiervoor vermelde visie met betrekking tot gedaagde