Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-06-28
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8512
99/2226 NABW-VV 98/8763 NABW U I T S P R A A K van DE PRESIDENT VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen: A., wonende te B., verzoeker, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde. I. INLEIDING Verzoeker heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de president van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage onder dagtekening 20 november 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 22 april 1999 is tevens verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoeker heeft nadere stukken ingezonden. Het verzoek is behandeld ter zitting op 21 juni 1999, waar voor verzoeker is verschenen A. Mohamedajoeb, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente 's-Gravenhage. II. MOTIVERING Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de president van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. De president is in dit geval van oordeel dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen. Verzoeker, geboren in 1944 en van Surinaamse nationaliteit, verblijft sedert 10 maart 1992 zonder in het bezit te zijn van een geldige verblijfstitel in Nederland. Eind juni 1997 heeft hij na eerdere vergeefse verzoeken opnieuw een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf. Op deze aanvraag is op 23 juli 1997 afwijzend beslist. Het tegen dit besluit ingestelde administratief beroep is ongegrond verklaard bij besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 22 september 1997. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 12 maart 1999. Bij besluit van 29 april 1998 heeft gedaagde naar aanleiding van de uitkomst van eerdere tussen partijen gevoerde gedingen verzoeker met ingang van 25 september 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 30 juni 1998 heeft gedaagde deze uitkering met ingang van 1 augustus 1998 beëindigd. Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde dit besluit gehandhaafd bij besluit van 24 september 1998 onder verwijzing naar de artikelen 7 en 11 van de Abw, het Besluit gelijk-stelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz en artikel XXIII, tweede lid, van de Wet van 26 maart 1998 (Stb. 1998, 203, hierna: de Koppelingswet). Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank het tegen het besluit van 24 september 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen op grond van de volgende overwegingen: "Met ingang van 1 juli 1998 is de Koppelingswet in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder meer de bijstandsverlening aan vreemdelingen en de wijze van verificatie van de verblijfsrechtelijke status van vreemdelingen. Zo ook is artikel 7 Abw gewijzigd; dit luidt per 1 juli 1998 als volgt: 1. Iedere Nederlander die hier te lande in zo