Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-11-02
ECLI:NL:CRVB:1999:AA8511
99/1311 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Katwijk, appellant, en A., wonende te B., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op de bij het beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 10 februari 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Als gemachtigde van gedaagde heeft mr A.A.G. Balkenende, advocaat te Katwijk, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 21 september 1999, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door R.F.J.M. van Hest, werkzaam bij de gemeente Katwijk, terwijl voor gedaagde is verschenen mr Balkenende voornoemd. II. MOTIVERING Aan de stukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden. Appellant heeft aan gedaagde, die is geboren in 1975, met ingang van 18 juli 1995 een uitkering toegekend ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, berekend naar de norm voor een alleenstaande die op het adres van haar ouders woont. Die norm is met ingang van 25 augustus 1995 gewijzigd in die voor een alleenstaande die niet op het adres van haar ouders woont en vervolgens, na de geboorte van een kind van gedaagde op 14 oktober 1995, naar die voor een één-ouder gezin. In verband met de inwerkingtreding van de Algemene bijstandswet (Abw) is vanwege appellant een onderzoek ingesteld naar de rechtsgevolgen waartoe de toepassing van die wet ten aanzien van gedaagde zal leiden. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een besluit van 20 september 1996 waarbij aan gedaagde met ingang van 1 september 1996 een uitkering ingevolge de Abw naar de norm voor een alleenstaande ouder alsmede een toeslag is toegekend. Op het rechtmatigheidsonderzoeksformulier Abw over de maand oktober 1997 heeft gedaagde aangegeven dat zij deelgerechtigd is in de nalatenschap van haar broer die in 1995 is overleden. Appellant heeft ter zake een nader onderzoek ingesteld en daaruit geconcludeerd dat het aandeel van gedaagde in bedoelde nalatenschap f 35.976,-- bedraagt. Bij primair besluit van 4 februari 1998 heeft appellant - voor zover hier van belang - de aan gedaagde vanaf 18 juli 1995 verstrekte bijstand tot een bedrag van f 10.225,82 bruto teruggevorderd. Het door gedaagde tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 3 juli 1998 ongegrond verklaard. Nadien heeft appellant bij besluit van 7 januari 1999 het bedrag van de terugvordering beperkt tot f 7.680,33 bruto. Appellant heeft zijn besluitvorming gebaseerd op artikel 69, derde lid, van de Abw in verbinding met artikel 81, eerste lid, van die wet alsmede op artikel 82 aanhef en onder a, van de Abw zoals die bepalingen sedert 1 juli 1997 luiden. Gedaagde heeft in bezwaar, in beroep en in hoger beroep gesteld dat de aan haar verleende bijstand ten onrechte van haar wordt teruggevorderd omdat zij nimmer de feitelijke beschikking heeft gehad over haar aandeel in de nalatenschap van haar broer. Volgens gedaagde is haar aandeel in de nalatenschap gestort op een boedelrekening waarop slechts haar vader gemachtigd was en heeft haar vader dat aandeel verrekend met een schuld van gedaagde aan haar ouders, ontstaan in een periode dat zij verslaafd was aan drugs. Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat het bedrag van de terugvordering te hoog is vastgesteld omdat bij de berekening daarvan geen rekening is gehouden met - voor zover nog van belang - twee rekeningen van de Accountants en Belastingadviseurs Van Rhee, Guijt & Ruwaard ten bedrage van f 3.004,48 respectievelijk f 1.715,50 die volgens gedaagde betrekking hebben op de afhandeling van de nalatenschap van haar broer. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard en bepaald dat - thans - appellant, met inachtneming van het in die uitspraak overwogene, opnieuw beslist op het bezwaarschrift van geda