Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-10-21
ECLI:NL:CRVB:1999:AA5484
97/4186 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: A wonende te B, appellant, en het dagelijks bestuur van het Regionaal Openbaar Lichaam Arnhem-Nijmegen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 8 april 1997, nr. 96/1761, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn nadien desgevraagd nadere stukken toegezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 15 september 1999. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr H. Grootjans, advocaat te Doetinchem. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr A.G. Kerkhof, werkzaam bij het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie, en B.W. Visser, werkzaam bij voormeld Regionaal Openbaar Lichaam. II. MOTIVERING Appellant was destijds als [functie] (functieschaal 13, persoonlijke schaal 14) werkzaam bij de regio Arnhem, een openbaar lichaam ingesteld bij de Regeling regio Arnhem 1986. In 1995 hebben Gedeputeerde Staten van Gelderland op grond van de Kaderwet bestuur in verandering aan een aantal gemeenten de gemeenschappelijke regeling Regionaal Openbaar Lichaam Arnhem- Nijmegen opgelegd. Om de daaruit voortvloeiende taakverschuiving van de betrokken gemeenten en regio's naar het nieuwe lichaam (hierna: ROL) optimaal en sociaal verantwoord te laten verlopen, heeft het algemeen bestuur van het ROL een sociaal statuut vastgesteld. Een functionaris die bij een der betrokken gemeenten of regio's werkzaam is en wiens functie door de taakverschuiving geheel of gedeeltelijk is vervallen - een zogeheten herschikkingskandidaat - wordt indien zijn bestaande functie in belangrijke mate ongewijzigd bij het ROL voorkomt in die functie bij het ROL benoemd tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet (artikel 7). In de overige gevallen wordt de herschikkingskandidaat een passende of, indien geen passende functie aanwezig is, zo mogelijk een geschikte functie aangeboden (artikel 9). Een plaatsingsadviescommissie (PAC) beoordeelt aan de hand van het functieboek welke herschikkingskandidaten aldus voor plaatsing bij het ROL in aanmerking moeten worden gebracht (artikel 1, onder h). De PAC heeft gedaagde bericht dat appellant, die als herschikkingskandidaat was aangemeld, opteerde voor de functie van directeur/secretaris (functieschaal 16), maar daarvoor gezien het verschil tussen beide functies niet geschikt was. Gedaagde heeft dit oordeel bij besluit van 15 januari 1996 overgenomen. Appellants bezwaar daartegen is bij het bestreden besluit van 10 april 1996 ongegrond verklaard. Zijn beroep daartegen is bij de aangevallen uitspraak eveneens ongegrond verklaard. Ambtshalve overweegt de Raad dat appellant door het primaire besluit - dat naar zijn strekking niet alleen een oordeel over de geschiktheid (of passendheid) van de functie van directeur/secretaris inhoudt, maar ook een weigering om appellant in die functie of een andere passende of geschikte functie te benoemen - in zijn door artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geiste hoedanigheid van ambtenaar is getroffen. Dat is indien het gaat om een functie bij een andere werkgever in het algemeen niet het geval. Nu echter het sociaal statuut beoogt de personele gevolgen van de reorganisaties die voortkomen uit de taakverschuiving naar het ROL op te vangen en steunt op afspraken met en regeling door alle betrokken werkgevers en appellant overeenkomstig dat statuut als herschikkingskandidaat is voorgedragen, moet worden geoordeeld dat het in geding zijnde besluit in het kader van een herplaatsingsonderzoek is genomen zodat appellant niet als een (gewone) sollicitant bij dit besluit is betrokken maar als ambtenaar. Appellants stelling dat de bezwarencommissie ten onrechte door het dagelijks bestuur is ingesteld is juist. De bevoegdheid daartoe komt ingevolge artikel 15 van de gemeenscha