Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-12-17
ECLI:NL:CRVB:1999:AA5183
97/8838 + 97/8839 AAW/WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: A, wonende te B, appellant, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 6 mei 1996 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat zijn uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeids-ongeschiktheidsverzekering (WAO), onder toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO, in de perioden van 14 mei 1994 tot 1 juni 1994 en van 16 november 1994 tot 1 december 1994 niet tot uitbetaling komen, en in de periode van 1 juni 1994 tot 1 juli 1994 uitbetaald worden als ware appellant voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt (besluit 1). Bij besluit van 13 mei 1996 heeft gedaagde, onder toepassing van de artikelen 48 van de AAW en 57 van de WAO, van appellant een bedrag van f 2.099,28 teruggevorderd, zijnde het hem over de perioden van 14 mei 1994 tot 1 juli 1994 en van 16 november 1994 tot 1 december 1994 onverschuldigd betaalde netto bedrag aan uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO (besluit 2). De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 19 augustus 1997 de beroepen tegen die besluiten ongegrond verklaard. Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 3 juni 1999 heeft gedaagde enige vragen van de Raad beantwoord. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 oktober 1999, waar appellant niet is verschenen, terwijl gedaagde -daartoe ambtshalve opgeroepen- is verschenen bij gemachtigde mr J. van der Kooij, werkzaam bij Gak Nederland B.V. II. MOTIVERING Met ingang van 31 december 1979 heeft gedaagde aan appellant uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sedertdien heeft appellant voor langere perioden arbeid verricht en heeft gedaagde appellants inkomsten uit die arbeid telkens op zijn uitkeringen in mindering gebracht. In verband met inkomsten uit arbeid heeft gedaagde appellants uitkeringen in 1994 over de perioden van 5 april 1994 tot 14 mei 1994, van 1 juli 1994 tot 16 november 1994 en vanaf 1 december 1994, onder toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO, niet uitbetaald. Bij besluit 1 heeft gedaagde ook over de perioden van 14 mei 1994 tot 1 juli 1994 en van 16 november 1994 tot 1 december 1994 toepassing gegeven aan deze artikelen, op een wijze als omschreven in rubriek I, omdat appellant ook in deze perioden heeft gewerkt en daaruit inkomsten heeft genoten. Daarbij heeft gedaagde zich met name gebaseerd op informatie die door de belastingdienst is verstrekt. Bij besluit 2 heeft gedaagde de als gevolg van besluit 1 onverschuldigd betaalde uitkeringen van appellant teruggevorderd. In deze gedingen dient de Raad de vraag te beantwoorden of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. De rechtbank heeft deze vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord. Daarbij heeft de rechtbank -kort gezegd- overwogen dat gedaagde terecht de door de belastingdienst verstrekte inkomensgegevens als uitgangspunt heeft gehanteerd omdat de door appellant verstrekte gegevens ontoereikend waren om de omvang van zijn inkomsten uit arbeid vast te stellen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellants bezwaar tegen de gehanteerde maatman, de leerling-verpleegkundige, niet kan slagen omdat deze maatman een in rechte vaststaand gegeven is geworden waarvan bij de beoo Maatman en maatmaninkomen De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij de rechtbank niet kan volgen in haar kennelijke oordeel dat de vaststelling van de maatman van appellant een in rechte vaststaand gegeven is. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen kan bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op een latere datum -zoals het hier aan de orde zijnde anticumulatiebesluit- de daaraan ten grondslag gelegde keuze met betrekking tot de maatman en het maatmaninkomen volledig worden getoetst. Gedaagde heeft als appellants maatman aangemerkt de leerling-verpleegkundige, zijnde de arbeid die appellant voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid in 1978 gedurende enkele weken heeft verricht. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant tot 1 mei 1978 als schilder heeft gewerkt en dat hij na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onder meer heeft gewerkt als schilder (van 1 juni 1988 tot 1 januari 1993) en als (internationaal) vrachtwagenchauffeur; uit de gedingstukken blijkt voorts dat appellant zijn grootrijbewijs heeft behaald. Op grond van de voorhanden zijnde gegevens is de Raad er niet van overtuigd geraakt dat gedaagde terecht de leerling-verpleger in de in geding zijnde perioden als maatman heeft aangemerkt. De Raad wijst er daarbij op dat uit de gedingstukken blijkt dat appellant zowel voor als na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid geruime tijd als schilder heeft gewerkt, waarvoor hij, blijkens het arbeidskundige rapport van 8 september 1988, het normale loon ontving. Uit de gedingstukken blijkt voorts niet dat appellant als schilder niet naar behoren zou hebben gefunctioneerd. Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken een onvoldoende grondslag voor het oordeel dat appellant na 1987 in medisch opzicht niet in staat zou zijn arbeid op de vrije arbeidsmarkt als schilder te verrichten. De Raad heeft daarbij met name betekenis gehecht aan de omstandigheid dat appellant na die beoordeling blijk heeft gegeven in staat te zijn tot het verrichten van een, naar het de Raad voorkomt, duurzame arbeidsprestatie op de vrije arbeidsmarkt. De Raad voegt daaraan toe dat gedaagdes verzekeringsarts in februari 1995 heeft geconcludeerd dat er geen sprake meer was van een ziekte of gebrek, maar dat appellant op grond van zijn constitutie gebaat is bij niet al te stresserend werk en dat werken onder tijdsdruk en overmatig lange werkdagen niet wenselijk zijn. De mate van appellants arbeidsongeschiktheid is door gedaagde vervolgens vastgesteld op basis van algemeen geaccepteerde arbeid, hetgeen heeft geleid tot een intrekking van appellants uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO per 22 mei 1995. Ten aanzien van appellants werkzaamheden als chauffeur merkt de Raad op dat appellant heeft gesteld dat hij nieuwe bekwaamheden heeft verkregen doordat hij een chauffeursopleiding heeft gevolgd. Daarbij heeft het de aandacht van de Raad getrokken dat gedaagdes standpunt dat appellant op medische gronden niet geschikt is voor arbeid als chauffeur gebaseerd is op het verzekerings-geneeskundige rapport uit 1987. In het licht van het hiervoor overwogene is daarmee onvoldoende onderbouwd dat appellant niet de door hem gestelde bekwaamheden heeft verworven. Ten aanzien van het in aanmerking genomen maatmaninkomen overweegt de Raad dat hij in het verleden in zijn jurisprudentie tot uitdrukking heeft gebracht dat het maatmaninkomen niet aan de hand van het dagloon bepaald dient te worden, maar aan de hand van het inkomen dat de betrokkene op de in geding zijnde datum in zijn maatmanfunctie had kunnen verdienen indien hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden. Bij de vaststelling van dat maatmaninkomen dient gedaagde vanaf 10 augustus 1994 ter bepaling van de hoogte van het maatmaninkomen in de aan de orde zijnde periodes de relevante bepalingen van het Schattingsbesluit in aanmerking te nemen. De Raad voegt aan het voorgaande nog toe dat gedaagde bij de berekening van de fictieve mate van appellants arbeidsong