Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-10-19
ECLI:NL:CRVB:1999:AA5094
97/1677 97/1678 97/1877 97/1878 AAW/WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: A., wonende te B., hierna: betrokkene, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, hierna: het Lisv. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Lisv in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Hotel,- Restaurant-, Café-, Pension- en aanverwante bedrijven. In deze uitspraak wordt onder het Lisv tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 3 juli 1995 heeft het Lisv de uitkeringen van betrokkene ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 augustus 1995 ingetrokken, onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was. Bij besluit van 2 augustus 1996 heeft het Lisv het besluit van 3 juli 1995 ingetrokken en vervolgens de AAW-uitkering van betrokkene met ingang van 1 augustus 1995 ingetrokken en haar WAO-uitkering met ingang van dezelfde datum herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank te Rotterdam heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 3 juli 1995 mede gericht geacht tegen het besluit van 2 augustus 1996 en bij uitspraak van 28 januari 1997 het beroep tegen beide besluiten gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, het Lisv veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van f 1.420,- en bepaald dat het Lisv aan betrokkene het gestorte griffierecht van f 50,- vergoedt. Partijen zijn beide op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Partijen hebben een verweerschrift ingediend. Het Lisv heeft naar aanleiding van het verweerschrift van betrokkene van repliek gediend. Het Lisv heeft vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden. De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 14 september 1999, waar partijen -het Lisv met bericht- niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 3 juli 1995 mede gericht geacht tegen het besluit van 2 augustus 1996. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 3 juli 1995 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat het Lisv te kennen had gegeven dat besluit niet te handhaven. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 2 augustus 1996 eveneens gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen waarbij betrokkene als eiseres is aangeduid en het Lisv als verweerder: "Ten aanzien van het eerste aspect constateert de rechtbank dat eiseres is onderzocht door de verzekeringsgeneeskundige die verweerder in zaken als de onderhavige adviseert. Naar aanleiding hiervan is een zogenaamd belastbaarheidspatroon opgesteld, waarin de medische beperkingen zijn omschreven. Dit belastbaarheidspatroon bevindt zich onder de gedingstukken en is gedateerd 8 mei 1995. De rechtbank ziet geen reden om de bevindingen van de verzekeringsgeneeskundige voor onjuist te houden, nu geen informatie van medische aard -bijvoorbeeld afkomstig uit de behandelend sector- is overgelegd die een ander licht werpt op de gezondheidstoestand van eiseres per 1 augustus 1995 en de beperkingen die hieruit voortvloeien voor het verrichten van arbeid. In dit kader acht de rechtbank het mede van belang dat de verzekeringsgeneeskundige bij het vormen van zijn oordeel informatie heeft ingewonnen bij de behandelend longarts van eiseres. De rechtbank heeft derhalve geen aanleiding gezien het advies van een medisch deskundige in te winn Ter voorlichting aan partijen merkt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juli 1994, gepubliceerd in RSV 1995, nr 133, in dit verband nog op van oordeel te zijn dat met deze afwijzing de weg naar de administratieve rechter niet definitief is afgesloten. Het staat eiseres vrij om te zijner tijd ter zake van de door haar verlangde vergoeding van renteschade alsnog een besluit van het bestuursorgaan uit te lokken. Een dergelijk besluit hangt zozeer samen met het onderhavige besluit, dat het, ertoe strekkend om de gestelde renteschade als gevolg van het onderhavige besluit geheel, gedeeltelijk of niet te vergoeden, als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb is aan te merken.". Anders dan in beroep bij de rechtbank, waar betrokkene belang bij een beoordeling van het door het Lisv ingetrokken besluit had behouden in verband met haar vordering tot schadevergoeding, heeft betrokkene naar het oordeel van de Raad thans geen belang meer bij een beoordeling van het besluit van 3 juli 1995 in hoger beroep. Betrokkene heeft de juistheid van de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep niet bestreden. Voorts heeft betrokkene in hoger beroep geen vordering tot schadevergoeding ingediend. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de toepassing van artikel 8:73 van de Awb -gelet op de bewoordingen van dat artikel- niet ambtshalve in het geding kan worden betrokken. Dit betekent dat het hoger beroep van betrokkene tegen de uitspraak van de rechtbank, in zoverre betrekking hebbend op het besluit van 3 juli 1995, wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de bezwaren van betrokkene tegen het medische aspect overweegt de Raad het volgende. Betrokkene heeft in hoger beroep herhaald dat haar medische beperkingen niet juist zijn vastgesteld en dat zij niet in staat is (het grootste deel van) de geduide functies te vervullen. Zij heeft echter, evenals in beroep bij de rechtbank, nagelaten ter ondersteuning van haar standpunt medische gegevens in het geding te brengen die twijfel zouden kunnen doen ontstaan aan de juistheid van de door de verzekeringsgeneeskundige ten aanzien van haar vastgestelde beperkingen. De Raad heeft in de gedingstukken, en met name het rapport van de verzekeringsarts M. Landheer van 3 mei 1995 geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de medische beperkingen van betrokkene zijn onderschat en dat zij niet in staat is de haar voorgehouden voltijd-functies te vervullen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze verzekeringsarts een onderzoek naar de door betrokkene gemelde klachten heeft ingesteld en kennis heeft genomen van informatie van haar longarts. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van betrokkene voor zover betrekking hebbend op het besluit van 2 augustus 1996 niet slaagt. 2. Ten aanzien van het beroep van het Lisv: Zoals de rechtbank heeft vastgesteld is tussen partijen niet in geschil dat betrokkene, voordat zij arbeidsongeschikt werd, een deeltijdfunctie vervulde. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 6 april 1999, nummer 97/586 AAW/WAO, heeft overwogen wordt met betrekking tot een deeltijdwerkende, voor wie niet op medische gronden een urenbeperking geldt, niet de eis gesteld dat de voorgehouden functies in exact dezelfde omvang aanwijsbaar zijn als die waarin de maatgevende arbeid werd verricht. Wel dient vast te staan dat de voorgehouden functies op de in geding zijnde datum in deeltijd konden worden verricht. Van elk van de voor zulk een verzekerde geselecteerde voltijd-functies is het voldoende dat wordt aangetoond dat zij op de datum in geding in een deeltijdvariant ten minste één arbeidsplaats vertegenwoordigden, onverminderd het bepaalde in artikel 3 van het Schattingsbesluit, inhoudende dat de geselecteerde voltijd- en deeltijdfuncties tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen dienen te vertegenwoordigen. Voor betrokkene zijn