Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-10-14
ECLI:NL:CRVB:1999:AA5090
97/9097 MAW U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B, appellant, en de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te 's- Gravenhage van 15 augustus 1997, nr. AWB 96/7326 MAWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 2 september 1999. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr B. Damen, advocaat te Nijkerk. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr F. van der Meyden, werkzaam bij het Ministerie van Denfensie. II. MOTIVERING Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide uiteenzetting van de feiten volstaat de Raad met het volgende. Nadat appellant bij besluit van 26 november 1993 een functie bij de Stafstafcompagnie Eerste Divisie was toegewezen, is hem bij besluit van 25 maart 1994 met ingang van 1 januari 1994 de functie van hoofd Informatiebeveiliging bij dat dienstonderdeel toegewezen. Aan beide functies was de rang van sergeant-majoor verbonden. Bij besluit van 24 oktober 1995 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat deze per 1 november 1995 tot adjudant-onderofficier bevorderd zou worden. Daarbij heeft gedaagde tevens appellants verzoek van 18 september 1995 afgewezen om hem met terugwerkende kracht tot 1 januari 1994 tot die rang te bevorderen op de grond dat de nieuwe OTAS (Organisatietabel en Autorisatiestaat) waarin de rangsverhoging was verwerkt eerst per 1 november 1995 van kracht zou worden. Na gedaagdes bezwaar is dit besluit bij het bestreden besluit van 24 juni 1996 gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De Raad stelt vast dat appellants functie van hoofd Informatiebeveiliging voortkomt uit de zogeheten eerste reorganisatiegolf van appellants dienstonderdeel die per 1 januari 1994 was afgerond. Aan die functie is toen zonder functiewaarderingsonderzoek de rang van sergeant-majoor verbonden. In de loop van 1994 heeft op initiatief van appellants bureauhoofd alsnog een functiewaarderingsonderzoek plaatsgevonden dat eind december 1994 resulteerde in het oordeel dat appellants functie hoger gewaardeerd diende te worden. De daartoe vereiste OTAS-wijziging is toen niet direct ter hand genomen, maar meegenomen in de OTAS-wijziging die per 1 november 1995 ter verwerking van de uitkomsten van de zogeheten tweede reorganisatiegolf is vastgesteld. Niet in geschil is dat appellants functie sedert 1 januari 1994 niet is gewijzigd. Kennelijk op die grond heeft appellants commandant op het rekest van 18 september 1995 vermeld dat het ging om " opwaardering van een functie, gericht op het verleden." Gedaagde acht dit evenwel geen reden om aan de bevordering terugwerkende kracht te geven nu een dergelijk geval zich met enige regelmaat voordoet. Bovendien zou appellant aldus te snel beschikbaar komen voor een volgende functie als adjudant-onderofficier. Dit zou het loopbaanbeleid verstoren. Ter zitting heeft appellant primair het standpunt ingenomen dat, nu zijn functie inhoudelijk niet gewijzigd is, aan de bevordering terugwerkende kracht had moeten worden gegeven tot het tijdstip waarop hij met de vervulling van zijn functie is begonnen. Subsidiair bepleit hij terugwerkende kracht tot 15 februari 1995 op de grond dat de vereiste OTAS-wijziging redelijkerwijs binnen zes weken na het voltooien van het functiewaarderingsonderzoek had kunnen plaatsvinden. Een militaire functie - de afbakening van de taken en verantwoordelijkheden waarmee een militair wordt belast - wordt met de daaraan toegekende rang in een Organisatietabel en Autorisatiestaat (OTAS) vastgelegd. Als een militaire functie gewijzigd wordt, wordt ook dit in de OTAS vastgelegd. Hetzelfde geschiedt indien zoals in het onderhavige geval niet de functie wordt gewijzigd maar uitsl