Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-12-16
ECLI:NL:CRVB:1999:AA4866
97/7018 AW t/m 97/7021 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: A, wonende te B, appellant, en de Korpsbeheerder van de politieregio Gelderland Midden, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 8 juli 1997, nrs. AWB 96/2018 AW en AWB 96/2988 AW (hierna: uitspraak 1) en nrs. AWB 94/2729 AW en AWB 95/7 AW (hierna: uitspraak 2), naar welke uitspraken hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarna appellant een aantal malen nadere stukken (met bijlagen) heeft ingezonden. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 4 november 1999. Appellant is daar niet verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr drs V.N. van Waterschoot, advocaat te Arnhem. II. MOTIVERING Appellant was tot 1 januari 1990 agent bij het Korps Politie Suriname en vervolgens bij de gemeentepolitie te Arnhem werkzaam, vanaf 1 januari 1992 als agent in vaste dienst. Na de reorganisatie van de Nederlandse politie is hij bij de politieregio Gelderland Midden benoemd. Beoordelingen Appellant is op 1 oktober 1992 beoordeeld. Op zijn bezwaar tegen die beoordeling is niet beslist. Tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op dit bezwaar heeft hij op 22 april 1996 beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep bij uitspraak 1 niet-ontvankelijk verklaard omdat zij het onredelijk laat ingesteld achtte. Ook op 1 december 1993 is appellant beoordeeld. Deze beoordeling is na bezwaar bij besluit van 27 juni 1996 gehandhaafd. De rechtbank heeft bij uitspraak 1 het beroep tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op dit bezwaar gegrond verklaard, het beroep tegen het besluit van 27 juni 1996 ook gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het primaire besluit tot vaststelling van de beoordeling herroepen en het verzoek om vergoeding van schade en proceskosten afgewezen. Schorsing en ontslag Nadat in april 1994 appellants beoogde detachering bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond wegens zijn inmiddels aldaar gebleken antecedenten geen doorgang had gevonden, is van de zijde van gedaagde aan de Korpschef van het Korps Politie Suriname verzocht om in verband met een achtergrondonderzoek naar appellant relevante informatie uit diens personeelsdossier te verstrekken. Uit de vervolgens van de zijde van dat Korps verstrekte informatie bleek dat appellant in november 1982 door de Kantonrechter van het Tweede Kanton te Paramaribo, terzake van doodslag als ambtenaar met gebruik van een door zijn ambt geschonken middel (hierna: het schietincident), tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar met een proeftijd van drie jaar was veroordeeld en dat hem in de periode van 1981 tot 1987 zeven maal een disciplinaire straf was opgelegd. Naar aanleiding hiervan is appellant bij besluit van 19 april 1994 op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit algemene rechtspositie politie 1994 (Barp), met onmiddellijke ingang geschorst. De schorsing is na bezwaar bij besluit van 14 juli 1994 (hierna: besluit 1) gehandhaafd. Appellant heeft de strafrechtelijke veroordeling erkend. Anders dan appellant was gedaagde van oordeel dat appellant bij zijn sollicitatie de strafrechtelijke veroordeling niet had gemeld en dat de informatie over de disciplinaire straffen op waarheid berustte. Vervolgens is appellant bij besluit van 15 juli 1994 op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder h, van het Barp, met ingang van 15 oktober 1994 oneervol ontslag verleend. Het ontslag is na bezwaar bij besluit van 21 november 1994 (hierna: besluit 2) gehandhaafd. Gedaagde heeft overwogen dat appellant, indien bij zijn sollicitatie voormelde informatie - ook als deze uitsluitend op het schietincident betrekking had gehad - bekend was geweest, niet in dienst genomen zou zijn en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij bij zijn sollicitatie terzake te goeder trouw was geweest. Bij uitspraak 2 zijn de beroep