Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-11-18
ECLI:NL:CRVB:1999:AA4804
98/1810 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: mr A, wonende te B, eiseres, en de Minister van Justitie, verweerder I, de President van de Arrondissementsrechtbank te Roermond, verweerder II. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 30 januari 1998 heeft verweerder I het door eiseres gemaakte bezwaar tegen de ten aanzien van haar over de periode januari tot en met oktober 1996 door verweerder II vastgestelde beoordeling, na aanvulling daarvan, ongegrond verklaard. Eiseres heeft op daartoe bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden beroep tegen dat besluit ingesteld. Verweerder I heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend en nadien desgevraagd nog nadere stukken ingezonden. Verweerder II heeft bij schrijven van 7 juli 1999 desgevraagd bericht het bestreden besluit, indien nodig, voor zijn rekening te nemen. Het geding is behandeld ter zitting van 7 oktober 1999 waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr C.M.H.T. Fleurkens, verbonden aan ABVAKABO. Verweerder I heeft zich doen vertegenwoordigen door R. Chardet, werkzaam bij het Ministerie van Justitie. Verweerder II, mr G.A.M. Stevens, is in persoon verschenen. II. MOTIVERING Eiseres, destijds universitair docent, is bij Koninklijk Besluit van 25 augustus 1993 benoemd tot rechter-plaatsvervanger in de Arrondissementsrechtbank te Roermond. Als zodanig was zij voor één dan wel twee dagen per week werkzaam bij achtereenvolgens de handelskamer en de familiekamer. Bij Koninklijk Besluit van 22 december 1995 is eiseres met ingang van 1 januari 1996 voor 32 uur per week benoemd tot gerechtsauditeur. Deze benoeming vond plaats nadat eiseres van de commissie aantrekken leden rechterlijke macht het "groene licht" had gekregen om als zogeheten "buitenstaander" in opleiding te worden genomen. Met ingang van evengenoemde datum is haar opleiding in de strafsector aangevangen, met dien verstande dat zij in de maanden januari en februari 1996 nog voor ongeveer 50% van haar werktijd heeft gewerkt ten behoeve van de familiekamer. Op 30 juli 1996 heeft een gesprek plaatsgevonden waarbij haar functioneren in de strafsector aan de orde is gesteld en waarbij haar te verstaan is gegeven dat ze nog niet toe was aan het zelfstandig doen van politierechterzittingen. In verband daarmee is het aanvankelijk geplande zittingrooster aangepast. Op 16 oktober 1996 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden, waarbij aan de hand van de beoordelingscriteria van het zogenaamde Middelburgs beoordelingsstatuut de verschillende aspecten van haar functioneren zijn besproken. Korte tijd nadien heeft zij vakantie opgenomen en aansluitend heeft zij zich ziek gemeld. Op 23 december 1996 is een beoordeling opgemaakt met als eindconclusie dat het functioneren in de strafsector in zijn totaliteit als onvoldoende wordt gewaardeerd. Na schriftelijke reactie van de opleiders, de opleidingscoördinator en de sectorvoorzitter van de strafsector en na bespreking van de door eiseres ingebrachte opmerkingen heeft verweerder II op 1 mei 1997 de beoordeling ongewijzigd vastgesteld. Bij het thans bestreden besluit van 30 januari 1998 heeft verweerder I de bezwaren van eiseres tegen deze beoordeling -na aanvulling van die beoordeling met waarderings-codes- ongegrond verklaard, tegen welk besluit eiseres tijdig beroep heeft ingesteld bij de Raad. De Raad overweegt als volgt. In dit geding is primair aan de orde de vraag of verweerder I bevoegdelijk heeft beslist op het bezwaar van eiseres tegen de door verweerder II vastgestelde beoordeling. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Eiseres is met toepassing van artikel 108, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) op voordracht van de Minister van Justitie door de Kroon benoemd tot gerechtsauditeur. Als gerechtsauditeur hoort zij tot de rechterlijke ambtenaren en geldt de president van de rechtbank voor haar als functionele autoriteit (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, respectievelijk tweede lid, aanhef en onder De grieven van eiseres betreffen (a) het gegeven dat de adviescommissie buiten haar bevoegdheid is getreden door waarderingscodes toe te kennen, (b) dat de beoordeling onzorgvuldig is omdat er geen opleidingsplan was en de functie-eisen niet vooraf bekend waren, (c) dat er geen rekening mee is gehouden dat zij bovenmatig werd belast, (d) dat zij vanwege het "uithelpen" van de familiesector geen kans heeft gehad zich van meet af aan ten volle op het strafrecht te richten, (e) dat haar fysieke conditie slecht was, (f) dat anders dan in de beoordeling is vermeld geen sprake was van een langere dan normale opleidingsperiode, (g) dat er ten onrechte een vergelijking is gemaakt met het functioneren van RAIO's, (h) dat de beoordeling onvoldoende concreet is en (i) dat er geen sprake was van het bij herhaling niet nakomen van auditeerafspraken maar van één geval, waarbij sprake was van een misverstand. De Raad ziet geen aanleiding de beoordeling aan te tasten op grond van het na bezwaar toevoegen van waarderingscodes. Deze vormen immers op zichzelf, los van de inhoudelijke juistheid, een adequate vertaling van de na bezwaar ongewijzigd gebleven verbale omschrijvingen; deze aan het primaire besluit klevende omissie kon ook in bezwaar worden hersteld. Wat betreft de slechte fysieke conditie van eiseres acht ook de Raad van belang dat eiseres daarvan in de beoordelingsperiode geen melding heeft gemaakt en dat een minder goede gezondheidstoestand er overigens niet toe kan leiden dat in het kader van de beoordeling van de functievervulling lagere functie-eisen worden gehanteerd. De Raad stelt vast dat op het beoordelingsformulier als relevante omstandigheid is vermeld dat eiseres in december 1995 onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zich voor te bereiden op de werkzaamheden in de strafsector en dat zij gedurende de maanden januari en februari (1996) nog werkzaamheden voor de familiesector heeft verricht. Die omstandigheden zijn derhalve reeds in beschouwing genomen bij de vaststelling van de beoordeling. De Raad stelt voorts vast dat uit de gedingstukken blijkt dat eiseres niet ontkent dat zij in de beoordelingsperiode in strafrechtelijke kennis tekort schoot en ook -naar blijkt uit het verslag van het functioneringsgesprek van 16 oktober 1996 en haar reactie daarop- dat zij zich nog niet in staat achtte om zelfstandig politierechterzittingen te leiden, zodat niet kan worden gezegd dat de gegeven waarderingen in zoverre op onvoldoende gronden berusten. De Raad heeft daarnaast vastgesteld dat de gegeven kwalificaties worden gedragen door alle rechters van de strafsector. De overige bezwaren en tevens de kern van de bezwaren van eiseres zijn naar de Raad begrijpt dan ook gelegen in de opvatting dat er te zware eisen aan haar zijn gesteld, dat zij niet op de hoogte was van die eisen en dat haar meer tijd had moeten worden gegund om aan de eisen te voldoen. Gezien de gedingstukken en gehoord hetgeen verweerder II ter zitting desgevraagd heeft uiteengezet en toegelicht komt de Raad tot het oordeel dat deze grieven geen doel treffen. Voordat eiseres werd benoemd tot gerechtsauditeur heeft verweerder II met haar gesproken, waarbij zij er zelf voor heeft gekozen haar opleiding te vervolgen in de strafsector. Naar verweerder II ter zitting heeft verklaard is daarbij een opleidingsduur van één jaar ter sprake geweest. Ook met beide opleiders/beoordelaars is vooraf gesproken. Indien er desondanks onvoldoende duidelijkheid was omtrent de eisen en het tijdstip waarop zij daaraan moest voldoen had het op de weg van eiseres gelegen om tijdig om de gewenste duidelijkheid te vragen. De Raad heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat voor eiseres -tot de uitroostering voor de politierechterzittingen eind juli 1996- een ander dan het voor gerechtsauditeurs gebruikelijke opleidingsprogramma en andere dan de gebruikelijke eisen hebben gegolden. Ook wat betreft de netto opleidingstijd verschilt de situatie van eiseres niet van die van a