Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-12-22
ECLI:NL:CRVB:1999:AA4300
97/3534 AAW U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B, appellante, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 26 maart 1991 heeft gedaagde de eerder aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ingaande 1 juli 1991 ingetrokken. De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 26 maart 1997 het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Namens appellante heeft mr B.I. Klaassens, advocaat te Groningen, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend bij brief van 5 juni 1997. Het hoger beroep is nader gemotiveerd bij brieven van mr Klaassens d.dis 12 juni 1997, 10 maart 1998 en 9 april 1998. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 1 december 1999. Van partijen is daar alleen appellante verschenen, vertegenwoordigd door mr M.I. Steinmetz, advocaat te Amsterdam. II. MOTIVERING Appellante heeft in 1976 een aanvraag om AAW uitkering ingediend, waarbij zij heeft gesteld sedert 1960 arbeidsongeschikt te zijn. De op 1 oktober 1976 in werking getreden AAW sloot destijds nog gehuwde vrouwen van uitkering uit; als gehuwd geweest zijnde vrouw kon appellante in beginsel aanspraak op uitkering maken. Gedaagde heeft haar aanvankelijk niet arbeidsongeschikt geacht, aangezien zij ondanks beperkingen uit hoofde van knieklachten en nervositeit in staat werd geacht om met arbeid tenminste het wettelijk minimumloon te verdienen. Hangende het beroep tegen dit besluit is van de zijde van appellante een brief ingebracht van haar behandelende zenuwarts, op grond waarvan gedaagde van zijn standpunt is teruggekomen en appellante ingaande 1 oktober 1976 in een mate van 80 tot 100% arbeidsongeschikt heeft geacht. De met ingang van voornoemde datum toegekende AAW-uitkering is bij het bestreden besluit met ingang van 1 juli 1991 ingetrokken, op de grond dat appellante in het jaar voorafgaande aan het intreden van haar arbeidsongeschiktheid geen inkomen uit of in verband met arbeid heeft verworven. Dit besluit berust op artikel IV van de Wet van 3 mei 1989, Stb. 126, zoals gewijzigd bij Wet van 4 juli 1990, Stb. 386 (Reparatiewet AAW), op grond van welke bepaling ten aanzien van degene wiens arbeidsongeschiktheid is ingetreden vóór 1 januari 1979 met betrekking tot het behoud van de aanspraak op uitkering vanaf 1 juli 1991 de voorwaarden gelden als bepaald in artikel 6 van de AAW, zoals dat artikel luidde door inwerkingtreding van de Wet van 20 december 1979, Stb. 708. In dit geding is primair aan de orde gesteld dat gedaagde, bij de beantwoording van de vraag of appellante voorafgaand aan het intreden van haar arbeidsongeschiktheid inkomen uit of in verband met arbeid heeft verworven, niet van de juiste eerste arbeidsongeschiktheidsdag zou zijn uitgegaan. Bij het medisch (dossier-)onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit is overwogen dat appellante sinds 1958 knieklachten heeft en sinds maart 1972 tevens psychische problematiek kende. In aanmerking genomen dat zij destijds met name op grond van de psychische klachten volledig arbeidsongeschikt werd geacht, is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag gesteld op 1 maart 1972. Niet ter discussie staat dat appellante in het jaar voorafgaand aan die datum geen inkomen als zojuist bedoeld heeft verworven. Reeds in eerste aanleg is echter aangevoerd dat appellante op grond van de knieaandoening -waaraan zij in 1960 is geopereerd- sedertdien tenm De Europese Commissie heeft in een aantal vergelijkbare zaken een oordeel gegeven. In deze jurisprudentie zijn duidelijke aanknopingspunten voor het aannemen van strijdigheid met art. 1 van het eerste protocol, ook in het geval van de reparatiewet AAW. Uit deze jurisprudentie kan worden afgeleid dat een inbreuk op een bestaande uitkering in de vorm van een korting van inkomsten, die een aanmerkelijk achteruitgang in inkomsten meebrengt, een inbreuk op het eigendomsrecht meebrengt, indien een dergelijke korting voorheen, vóór het intreden van het verzekerd voorval niet was te voorzien. Alleen als er sprake is van een algemeen belang dat de betreffende regeling noodzakelijk maakt zou van een inbreuk op art. 1 geen sprake zijn. Hiervan is geen sprake. Het alsnog stellen van een inkomenseis ook in overgangsgevallen, dient geen enkel redelijk doel. Gedurende meer dan 10 jaar zag men geen enkele reden om aan deze groep alsnog de inkomenseis te stellen. Nu er sprake is van een, vermeende enorme, toeloop van vrouwen die ook recht op een uitkering hebben, voert men alsnog de inkomenseis in, enkel op grond van financiële overwegingen. Voorts moet er sprake zijn van een juist evenwicht -"fair balance"- bestaan tussen de belangen van betrokkene en het algemeen belang van de staat, zie bijvoorbeeld het arrest van het hof van 20 november 1995, NJ 1996, 593. Hierbij moet zwaar wegen dat betrokkene al jarenlang recht op uitkering heeft gehad en thans volledig arbeidsongeschikt is en geen inkomsten meer kan verwerven. Ook moet er sprake zijn van proportionaliteit tussen doel en gekozen middel. Het doel van de reparatiewet AAW was de financiële gevolgen te ontgaan van de gelijke behandelingsjurisprudentie. Zo dit al een doel zou kunnen zijn dat een dergelijke inbreuk op het eigendomsrecht kan rechtvaardigen, dan is dit alleen zo als er sprake is van zeer verstrekkende financiële gevolgen voor het stelsel van sociale zekerheid, als de wijziging achterwege werd gelaten. Van zo verstrekkende gevolgen is in het geheel geen sprake. In elk geval zou aan de betrokkenen enige financiële compensatie moeten worden geboden wil er nog sprake zijn van de eerdergenoemde "fair balance". (zie ook NJB, 1998 pag. 447 en 448 en de noot onder CR 16 januari 1998, USZ 98,66). Degenen die al jarenlang uitkering hadden op grond van de AAW kunnen zich op art. 1 van het 1e protocol beroepen, zij hadden een recht op uitkering dat door de reparatiewet wordt aangetast. Door het stopzetten van het recht op uitkering is er geen sprake meer van een ongestoord genot van het uitkeringsrecht.". De Raad wijst erop dat de vraag of artikel IV van de Reparatie-wet AAW in strijd komt met bepalingen van supra- en internationaal recht al in eerdere jurisprudentie aan de orde is geweest, in het bijzonder in de uitspraken gepubliceerd in RSV 1996/1-70 (over artikel 4 van de EG-richtlijn 79/7 en artikel 26 IVBPR) en in AB 1997/242 (over artikel 14 EVRM). Zich aansluitend bij het in die uitspraken overwogene zal de Raad zich thans beperken tot de bespreking van het (zelfstandige) beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Genoemde bepaling luidt, in de Nederlandse vertaling, als volgt: "Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.". Met de gemachtigde van appellante is de Raad van oordeel dat op grond van het door haar genoemde arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (hierna: het Hof) inzake Gaygusuz vs Oostenrijk het eigendomskar Bij een aantal uitspraken van 5 januari 1988 oordeelde de Centrale Raad van Beroep, dat die overgangsbepalingen een discriminatie op grond van geslacht vormden, die onverenigbaar was met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten van 19 december 1966 (Recueil des Traitès, vol. 999, blz. 171), en dat gehuwde vrouwen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt waren geworden, met ingang van 1 januari 1980 -datum van inwerkingtreding van de wet van 20 december 1979- onder dezelfde voorwaarden als mannen recht hadden op een AAW-uitkering, dat wil zeggen zonder aan de inkomenseis te hoeven voldoen, zelfs indien hun arbeidsongeschiktheid dateerde van voor 1 oktober 1975.". De keuze van de wetgever bij de Reparatiewet AAW, na de zojuist geschetste ontwikkeling, om voor een ieder die vanaf 1 juli 1991 aanspraak maakte op AAW-uitkering een inkomensvoorwaarde te laten gelden, werd voornamelijk ingegeven door twee overwegingen: - onder het regime van een langlopende uitkeringsregeling, namelijk tot het 65e jaar bij voortdurende arbeidsongeschiktheid, bestond een betekenend verschil in uitkeringsvoorwaarden (de inkomenseis) dat enkel werd bepaald door de datum van intreden van arbeidsongeschiktheid (vóór, dan wel op of na 1 januari 1979) en dat als zodanig op gespannen voet stond met het beginsel van gelijke behandeling van gelijke gevallen; - de groep arbeidsongeschikten die ook vanaf 1 januari 1980 zonder inkomenstoets een voortgezette aanspraak op uitkering hadden, was door de rechtspraak aanmerkelijk vergroot, hetgeen tot onaanvaardbare budgettaire gevolgen zou kunnen leiden. Bij de reconstructie van de AAW uit hoofde van deze overwegingen dienden voorts ook anderszins de rechtsnormen inzake gelijke behandeling in acht te worden genomen, in welk verband vooral een rol speelden de communautaire regels inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen en het in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG nader uitgewerkte verbod van directe èn indirecte discriminatie tussen mannen en vrouwen in de sociale zekerheid. De afweging die de wetgever heeft gemaakt, heeft geleid tot een volstrekte gelijkheid in uitkeringsvoorwaarden -op het punt van voorafgaand arbeidsinkomen- binnen de gehele groep van AAW-gerechtigden. Hoewel dit voor een deel van die groep betekent dat, soms na een periode van (maximaal) ruim 14 jaar AAW-uitkering zoals in het geval van appellante, deze uitkering wordt ingetrokken, hetgeen zonder twijfel als een ernstige inbreuk op het door artikel 1 van het Eerste Protocol beschermde recht moet worden beschouwd, en de gekozen constructie door de introductie-achteraf van een toetredingsvoorwaarde op bedenkingen stuit als geformuleerd in 's Raad uitspraak RSV 1996/170, is de Raad van oordeel dat, gegeven de geschetste ontwikkeling en de beperkte keuzemogelijkheden die de wetgever nadien ter beschikking stonden, de gekozen maatregel ook bij een toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol gerespecteerd moet worden. Daarbij neemt de Raad nog in ogenschouw dat voor de getroffen groep een wettelijke overgangsperiode van -uiteindelijk- 26 maanden is gecreëerd, gedurende welke de uitkeringsaanspraak onverkort heeft voortbestaan. Bij deze beperkte compensatie verdient aantekening dat bij maatregelen die (mede) zijn ingegeven door dringende overwegingen van financiële aard een volledige of zelfs aanmerkelijke com-pensatie niet aan de orde kan komen zonder de doelstelling van die maatregelen (grotendeels) teniet te doen. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat door de nader gestelde voorwaarde beoogd werd enkel die groep te treffen die voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid voor het levensonderhoud niet was aangewezen op inkomen uit arbeid. Tenslotte acht de Raad nog van belang dat in het Nederlandse stelsel de Algemene bijstandswet als sociaal "vangnet" fungeert, hetgeen derhalve ook van toepassing is voor diegenen die voor hun levensonderhoud waren aangewezen op de A