Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-05-27
ECLI:NL:CRVB:1999:AA4163
97/4396 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, appellant, en A, wonende te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Assen op 21 april 1997 onder nummer 96/339 AW PO8 GOO gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Het geding is behandeld ter zitting van 15 april 1999, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J.H.J. van Gastel, werkzaam bij USZO diensten BV en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J.A. Breunesse, werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond. II. MOTIVERING Aan gedaagde is met ingang van 1 augustus 1993 een ontslaguitkering toegekend op grond van hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO). Sedert 1 maart 1994 valt de uitkering van gedaagde onder het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO), bij welke gelegenheid gedaagde een brochure is toegezonden met informatie over de aan die overgang verbonden gevolgen. Gedaagde is op 14 maart 1995 in het ziekenhuis opgenomen. In verband daarmee heeft haar echtgenoot op 21 maart 1995 een zogenaamd maandformulier ingestuurd waarop is vermeld dat gedaagde vanaf 14 maart 1995 arbeidsongeschikt is. Bij brief van 13 juni 1995 heeft appellant aan gedaagde meegedeeld dat haar BWOO-uitkering per 14 maart 1995 is geëindigd. Bij brief van 19 september 1995 is meegedeeld dat er f 1.326,88 aan teveel betaalde uitkering wordt teruggevorderd. Nadat gedaagde telefonisch om opheldering had gevraagd is haar meegedeeld dat ze om ziekengeld te verkrijgen een apart aanvraagformulier had dienen in te vullen. Gedaagde heeft dit op 16 oktober 1995 gedaan. Bij het thans in geding zijnde besluit van 12 februari 1996 heeft appellant zijn besluit gehandhaafd om de ingangsdatum van de ziekteuitkering te bepalen op 16 oktober 1995. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant aan gedaagde alsnog ziekengeld toekent per 21 maart 1995. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de ziekmelding van gedaagde op 21 maart 1995 bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan als een aanvraag om een ziekteuitkering als bedoeld in artikel 39 van het BWOO. Appellant gaat er daarom ten onrechte vanuit dat gedaagde pas op 16 oktober 1995 een ziekteuitkering heeft aangevraagd. Het onderscheid tussen een ziekmelding en een aanvraag van een ziekteuitkering vindt volgens de rechtbank geen grondslag in het BWOO en appellant had zo nodig aanvullende gegevens dienen te vragen bij gedaagde, indien de aanvraag om een ziekteuitkering onvolledig was. Appellant heeft er in hoger beroep op gewezen dat alle uitkeringsgerechtigden en ook gedaagde heel uitdrukkelijk zijn geïnformeerd dat een ziekmelding op een maandformulier onvoldoende is en dat tevens een aparte aanvraag om een ziekteuitkering moet worden gedaan. Volgens appellant volgt uit artikel 39 BWOO dat een ziekteuitkering (expliciet) moet worden aangevraagd en hebben diverse rechtbanken inmiddels besluiten als de onderhavige in stand gelaten. De Raad overweegt als volgt. De Raad stelt voorop dat de uitvoeringspraktijk die appellant destijds hanteerde bij de toepassing van artikel 39 van het BWOO en die onder meer is uiteengezet in een in januari 1994 ook aan gedaagde toegezonden voorlichtingsbrochure, geen onjuiste toepassing is van de bepalingen van het BWOO. Besluiten waarbij appellant een ziekteuitkering laat ingaan op de datum van aanvraag, ook indien al eerder een ziekmelding had plaats gevonden acht de Raad dan ook, anders dan de rechtbank te Assen, in het algemeen niet onjuist. Niettemin is de Raad in het onderhavige geval - zij het op andere gronden dan de rechtbank - van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Naar gebleken is heeft appellant in januari 1995 in de regio Groningen en Assen een