Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-05-06
ECLI:NL:CRVB:1999:AA3965
97/5124 AW, 97/5127 AW en 97/5129 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: A, wonende te B, appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Arnhem op 2 mei 1997 onder de nrs. AW 96/2069, AW 95/1442 en AW 96/304 gegeven uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn desgevraagd nadere stukken overgelegd. Namens appellant zijn ook nadere stukken ingediend. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 25 maart 1999. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr P.P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. Jans, werkzaam bij de gemeente Nijmegen. Tevens is als getuige - daartoe door appellant opgeroepen - gehoord V., als bedrijfsarts werkzaam bij de Arbo Unie te Y. II. MOTIVERING De Raad volstaat met vermelding van de volgende feiten en omstandigheden onder verwijzing naar de aangevallen uitspraken voor een meer uitvoerige weergave. Appellant, vanaf 1992 werkzaam bij de dienst Sociale Zaken van de gemeente Nijmegen als dienstverlener (schaal 8), is bij besluit van 18 april 1994 benoemd tot administratief medewerker wijkunit (schaal 4 met een garantietoelage). Na bezwaar tegen de hoogte van de bezoldiging is deze bij gedaagdes bestreden besluit van 13 maart 1995 (hierna: bestreden besluit 1) gehandhaafd, afgezien van een geringe correctie. Bij gedaagdes bestreden besluit van 19 december 1995 (hierna: bestreden besluit 2) is na bezwaar het besluit van 19 mei 1995 gehandhaafd waarbij appellant de toegang tot het gebouw van de dienst Sociale Zaken is ontzegd. Bij besluit van 29 augustus 1995 is appellant meegedeeld dat de Bedrijfsgezondheidsdienst van de gemeente Nijmegen opdracht is gegeven om op grond van artikel E5, eerste lid, van het Algemeen Ambtenarenreglement van de gemeente Nijmegen (AAR) een geneeskundig onderzoek (hierna: E5-onderzoek) te starten met een psychologisch onderzoek als onderdeel daarvan. Daarbij is appellant er op gewezen dat hij op grond van het tweede lid van dat artikel verplicht was aan dit onderzoek mee te werken. Bij besluit van 15 november 1995 is appellant meegedeeld dat, omdat hij verwijtbaar deze medewerking geweigerd had, op grond van artikel E13, tweede lid, aanhef en onder b, van het AAR, zijn bezoldiging per 1 januari 1996 zou worden gestaakt tenzij hij voor 15 december 1995 contact zou opnemen voor het vastleggen van een nieuwe onderzoeksdatum. Na bezwaar zijn de besluiten van 29 augustus 1995 en 15 november 1995 bij gedaagdes bestreden besluit van 3 april 1996 (hierna: bestreden besluit 3) gehandhaafd, met de mededeling dat de stopzetting van de salarisbetaling ongedaan zou worden gemaakt indien appellant zich alsnog onverwijld zou melden voor het afspreken van een nieuwe datum voor het psychologisch onderzoek. Appellants beroepen tegen de bestreden besluiten zijn bij de aangevallen uitspraken ongegrond verklaard. Na ontvangst van 's Raads uitnodiging van 1 maart 1999 voor de zitting van 25 maart 1999 heeft appellant de Raad verzocht om de behandeling van de gedingen voor onbepaalde tijd uit te stellen, aangezien de raadsman die hij na ontvangst van die uitnodiging had ingeschakeld geen gelegenheid had tijdig de zaken te bestuderen en een aanvullend beroepschrift op te stellen en er bovendien samenhang was met twee andere nog bij de rechtbank aanhangige zaken. De Raad ziet geen gronden om dit verzoek in te willigen. Bij het instellen van hoger beroep heeft appellant er rekening mee kunnen houden dat hij op enig moment een uitnodiging voor de te houden zitting zou ontvangen. De termijn tussen het instellen van hoger beroep bij brief van 10 mei 1997 en de zitting van 25 maart 1999 kan voor appellant niet onvoldoende worden geacht om zich, al dan niet met inschakeling van rechtsgeleerde bijstand, op de zitting voor